ECLI:NL:RVS:2016:3503
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring onrechtmatig verklaard wegens zwangerschap echtgenote
De vreemdeling was op 14 september 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag oordeelde op 8 november 2016 dat deze bewaring niet onrechtmatig was en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de bewaring vanaf 20 september 2016 onrechtmatig was, nu de rechtbank in een gelijke zaak betreffende de echtgenote van de vreemdeling de bewaring vanaf die datum onrechtmatig had verklaard wegens haar zwangerschap, conform het beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000 en artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad van State oordeelde dat, omdat de uitzetting van de echtgenote vanwege haar zwangerschap achterwege moest blijven, dit ook voor de vreemdeling als gezinslid gold. De rechtbank had daarom ook de bewaring van de vreemdeling vanaf 20 september 2016 onrechtmatig moeten achten. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en een vergoeding toegekend over de periode van 20 tot 23 september 2016, de dag waarop de bewaring werd opgeheven.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt voor rechtsbijstand. De vrijheidsontnemende maatregel was inmiddels opgeheven, zodat een bevel tot opheffing achterwege kon blijven.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring vanaf 20 september 2016 wordt onrechtmatig verklaard en de vreemdeling krijgt een vergoeding toegekend.