ECLI:NL:RVS:2016:3505
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingen krijgen gegrondverklaring hoger beroep wegens afhankelijkheidsrelatie in Dublinprocedure
De vreemdelingen, een tante en haar minderjarige nichtje, dienden in november 2014 afzonderlijk asielaanvragen in Nederland in. De staatssecretaris stelde op grond van de Dublinverordening dat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling, maar Italië reageerde niet op het overnameverzoek, waardoor zij sinds januari 2015 verantwoordelijk werd.
De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen ongegrond. In hoger beroep klaagden de vreemdelingen dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat er geen afhankelijkheidsrelatie bestond tussen vreemdeling 1 en haar broer, ondanks medische attesten die hun zorgrelatie onderbouwen.
De Raad van State oordeelde dat de medische attesten, hoewel na de uitspraak van de rechtbank, als nadere onderbouwing konden worden betrokken. Uit deze attesten bleek dat de broer van vreemdeling 1 ernstig afhankelijk is van haar mantelzorg, die essentieel is voor zijn behandeling en functioneren. De staatssecretaris had dit onvoldoende gemotiveerd en geen uitzonderlijke situatie aangevoerd om af te wijken van artikel 16 van Pro de Dublinverordening.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en de besluiten van de staatssecretaris vernietigd. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.232,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten van de staatssecretaris worden vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent de afhankelijkheidsrelatie.