ECLI:NL:RVS:2016:366
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging boete wegens overtreding identificatieplicht Wet arbeid vreemdelingen
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde [wederpartij] een boete van €4.500,- op wegens overtreding van artikel 15 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat de identiteit van een vreemdeling niet volgens de wettelijke vereisten was vastgesteld. De rechtbank stelde de boete deels vast op nihil en matigde deze tot €2.250,-, waarna de minister hoger beroep instelde.
De Raad van State oordeelt dat de vreemdeling rechtmatig in Nederland verbleef en mocht werken zonder tewerkstellingsvergunning, zoals bevestigd door de Immigratie- en Naturalisatiedienst. [Wederpartij] had al diverse documenten van de vreemdeling in haar administratie opgenomen en had de identiteit en verblijfsrechtelijke positie voldoende vastgesteld. De boeteoplegging was daarom slechts een formaliteit en niet proportioneel.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten. Tevens wordt een griffierecht geheven. De uitspraak benadrukt het belang van een evenredige sanctie bij boeteoplegging en de toetsing daarvan door de rechter.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de boeteoplegging bevestigd met vergoeding van proceskosten.