ECLI:NL:RVS:2016:401
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking wapenverlof wegens twijfel aan toevertrouwen bezit vuurwapen
Appellant had een wapenverlof voor een seinpistool dat op 16 oktober 2013 door de korpschef werd ingetrokken vanwege incidenten waarbij appellant in verwarde toestand was opgenomen in een ziekenhuis. De staatssecretaris handhaafde dit besluit, en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde aan dat hij niet psychiatrisch, maar neurologisch was behandeld en dat de politie onvoldoende medische kennis had om de situatie juist te beoordelen.
De Raad van State oordeelde dat de mutatierapporten objectief toetsbare feiten bevatten, waaronder opname in een psychiatrische afdeling en meldingen van familieleden, die voldoende grond boden voor twijfel over het verantwoord kunnen toevertrouwen van het wapenbezit. Het verschil met eerdere jurisprudentie werd toegelicht doordat toen geen objectieve feiten waren, terwijl hier wel sprake was van concrete medische en gedragsgegevens.
Appellant stelde dat hij ten tijde van het besluit niet meer onder psychische druk stond, maar de Raad vond dat de medische verklaringen en het psychologisch rapport onvoldoende uitsluitsel gaven over zijn toestand op dat moment. Ook het belang van appellant bij het behoud van het seinpistool, dat een erfstuk is, woog niet zwaar genoeg om intrekking onredelijk te achten. De Raad wees ook het voorstel af om het wapen met voorwaarden te behouden, omdat twijfel niet met maatregelen kon worden weggenomen.
De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van het wapenverlof wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.