ECLI:NL:RVS:2016:428

Raad van State

Datum uitspraak
9 februari 2016
Publicatiedatum
17 februari 2016
Zaaknummer
201508323/3/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 75b Flora- en faunawetArt. 75d Flora- en faunawet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake omgevingsvergunning wegverbreding N527

In deze zaak hebben verzoekers een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Blaricum omtrent het kappen van diverse bomen voor de verbreding van de weg N527. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen, mede omdat de rechtbank eerder terecht had geoordeeld dat de voorgenomen kap niet in strijd is met de Flora- en faunawet.

Als nieuw feit is aangevoerd dat de Provincie Noord-Holland op 8 januari 2016 een omgevingsvergunning heeft aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Huizen voor de wegverbreding. Desondanks oordeelt de voorzieningenrechter dat er geen grond is om de vergunning te weigeren.

Verder is overwogen dat de spoedige aanvang van de kap geen reden is om af te wijken van het voorlopige oordeel en dat de rechtmatigheid van het besluit uitsluitend in de bodemprocedure kan worden beoordeeld. De voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de bodemprocedure wordt afgewacht.

Uitspraak

201508323/3/A1.
Datum uitspraak: 9 februari 2016 AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [verzoeker] en anderen, allen wonend te Blaricum,
verzoekers, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) van 23 oktober 2015 in zaken nrs. 15/4866, 15/4867, 15/4887 en 15/4888 in het geding tussen: [verzoeker] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Blaricum. Openbare zitting gehouden op 9 februari 2016 om 13:00 uur. Tegenwoordig:
Staatsraad mr. S.F.M. Wortmann
voorzieningenrechter griffier: mr. R.J. van den Berg Verschenen:
[verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde];
Het college, vertegenwoordigd door mr. F.R.M. van Lent, werkzaam bij de gemeente;
De Provincie Noord-Holland, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Riessen, advocaat te Amsterdam. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 23 oktober 2015 van de rechtbank. [verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Daartoe overweegt zij het volgende. De voorzieningenrechter heeft op 16 december 2015, in zaak nr. 201508323/2/A1 uitspraak gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker]. Bij die uitspraak heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen. In het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker] en anderen is als nieuw feit aangevoerd dat de Provincie Noord-Holland op 8 januari 2016 een omgevingsvergunning heeft aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Huizen voor het verbreden van de wegverharding N527 (hierna: de wegverbreding). De voorzieningenrechter overweegt dat in de vermelde aanvraag naar voorlopig oordeel voor het college geen grond is gelegen om de aan de orde zijnde omgevingsvergunning voor het kappen van 5 gewone beuken, 1 grove den, 11 zomereiken, 11 schijnacacia’s en 1 Hollandse iep ten behoeve van de vermelde wegverbreding, te weigeren. Voorts bestaat geen aanleiding om af te wijken van het door de voorzieningenrechter in de uitspraak van 16 december 2015 gegeven voorlopige oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat wat betreft de gevolgen van de voorgenomen kap voor de vleermuizen niet wordt gehandeld in strijd met artikel 75b, eerste lid, van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) en, gelet op artikel 75d van de Ffw, in zoverre geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. De voorzieningenrechter overweegt verder dat de omstandigheid dat spoedig met de kap wordt begonnen niet afdoet aan de behandeling van het door [verzoeker] en anderen ingestelde hoger beroep in de bodemprocedure. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat de rechtmatigheid van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Huizen tot het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het aanleggen van de wegverbreding niet in deze procedure, maar uitsluitend in een procedure tegen dat besluit aan de orde kan komen. w.g. Wortmann w.g. Van den Berg
voorzitter griffier 651.