ECLI:NL:RVS:2016:464
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A. Hammerstein
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vergoeding schade door onrechtmatige vreemdelingenbewaring en overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding door een appellant die onrechtmatig in vreemdelingenbewaring is gesteld vanaf 10 april 2010. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat Nederland ten onrechte een verblijfsvergunning had geweigerd, waarna de appellant alsnog een vergunning kreeg met ingang van 16 april 2010.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de detentie vanaf die datum onrechtmatig was en de staatssecretaris bood een forfaitaire vergoeding van € 80 per dag aan, totaal € 8.960. De appellant vorderde een hogere vergoeding vanwege haar zwangerschap en de omstandigheden tijdens detentie, waaronder medische beperkingen en psychische klachten. De Afdeling oordeelde echter dat deze schade onvoldoende bepaalbaar was en geen hogere vergoeding rechtvaardigde.
Verder stelde de appellant dat de redelijke termijn voor de behandeling van haar bezwaar was overschreden. De Afdeling hanteerde de jurisprudentie van het EHRM en concludeerde dat de totale procedure binnen de redelijke termijn van vijf jaar bleef, mede door compensatie van vertraging in bezwaar door voortvarendheid in beroep.
De Afdeling wees het verzoek om een hogere schadevergoeding af, veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van € 8.960 en een proceskostenvergoeding van € 496, en wees overige vorderingen af.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding van € 8.960 en proceskosten van € 496, terwijl een hoger bedrag wordt afgewezen.