ECLI:NL:RVS:2016:5
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluitingsbevel burgemeester wegens drugsoverlast in pand te Den Haag
De burgemeester van Den Haag heeft op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een sluitingsbevel van zes maanden opgelegd voor een pand aan de [locatie] te Den Haag, nadat in het pand handelshoeveelheden harddrugs waren aangetroffen en er sprake was van ernstige overlast en geweldsincidenten.
De appellant, huurder van een kamer in het pand, betwistte de bevoegdheid van de burgemeester en voerde aan dat hij niet betrokken was bij drugshandel, dat de sluiting disproportioneel was en in strijd met artikel 8 EVRM Pro, en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en onzorgvuldig was genomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester terecht bevoegd was op grond van de Opiumwet, omdat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs de grens voor eigen gebruik overschreed en er sprake was van ernstige overlast. De sluiting was proportioneel gelet op de ernst van de situatie en het belang van de appellant was meegewogen, mede doordat hem hulp bij woonruimte was aangeboden.
Het beroep van de appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er was geen strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel en ook geen schending van artikel 8 EVRM Pro, aangezien de sluiting wettelijk was voorzien en noodzakelijk was ter bescherming van de openbare orde en rechten van anderen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het sluitingsbesluit van de burgemeester voor zes maanden wegens drugsoverlast.