ECLI:NL:RVS:2016:586
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingen krijgen verblijfsvergunning ondanks ontbreken gelegaliseerde geboorteaktes
De vreemdelingen hadden een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid bij een referent, maar beschikten niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en overlegden geen gelegaliseerde geboorteaktes. De staatssecretaris wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, waarbij hij het belang van gelegaliseerde documenten benadrukte en het DNA-onderzoek onvoldoende achtte.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand. De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de staatssecretaris zich niet redelijkerwijs kon baseren op het ontbreken van gelegaliseerde geboorteaktes, nu het DNA-onderzoek de biologische relatie aantoonde en de zorg voor de kinderen was overgedragen aan de referent.
De Raad van State vernietigde daarom het bestreden deel van de uitspraak van de rechtbank en bevestigde het overige. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd het belang van het bewijs van de gezinsband door middel van DNA-onderzoek erkend boven het formele vereiste van gelegaliseerde geboorteaktes.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het besluit van de staatssecretaris en erkent de gezinsband op basis van DNA-onderzoek, waardoor de vreemdelingen recht krijgen op een verblijfsvergunning.