ECLI:NL:RVS:2016:696
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak inzake geslachtsnaamswijziging minderjarige dochters
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die het bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris inzake de geslachtsnaamswijziging van zijn minderjarige dochters heeft gegrond verklaard. De staatssecretaris had het bezwaar van appellant tegen de wijziging van de geslachtsnaam van zijn dochters in de naam van hun moeder ongegrond verklaard.
De rechtbank vernietigde het besluit van de staatssecretaris, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand omdat appellant en zijn dochters niet in gezinsverband samenwoonden, wat werd bevestigd door de basisregistratie personen. De rechtbank achtte het in het belang van de dochters om de geslachtsnaamswijziging toe te staan, mede omdat de moeder het ouderlijk gezag heeft en het contact tussen vader en dochters niet belemmert.
Appellant voerde aan dat hij dagelijks bij zijn dochters verbleef en dat de dochters gewend waren aan zijn naam, maar dit werd verworpen omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van samenwoning in gezinsverband. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 maart 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.