ECLI:NL:RVS:2016:748
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende relatie- en inkomensbewijs
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 3 juli 2014 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af, omdat de referent niet over voldoende middelen van bestaan beschikte en de duurzame en exclusieve relatie niet aannemelijk was gemaakt. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 3 februari 2015 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag vernietigde deze beslissing op 30 juli 2015 en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij onterecht had afgezien van het horen van partijen. Volgens de staatssecretaris was het bezwaar kennelijk ongegrond omdat de vreemdeling en referent onvoldoende bewijs hadden geleverd van hun relatie en inkomen, ondanks verzoeken om aanvullende documenten.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de stukken die de vreemdeling en referent tijdens het beroep overlegden, eerder hadden moeten worden ingediend en daarom niet in de beoordeling konden worden betrokken. Omdat er geen wezenlijk nieuwe informatie was verstrekt, was het terecht dat de staatssecretaris van het horen afzag. De grief van de staatssecretaris slaagde, de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.