ECLI:NL:RVS:2016:816
Raad van State
- Hoger beroep
- H. G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende geobjectiveerd redelijk vermoeden
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde de vreemdeling op 1 juli 2015 in vreemdelingenbewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel gegrond en beval de opheffing van de bewaring, met toekenning van schadevergoeding. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het tijdsverloop tussen eerdere controles en de controle van 1 juli 2015 doorslaggevend had gemaakt om het redelijk vermoeden van illegaal verblijf te verwerpen. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en beoordeelde het beroep van de vreemdeling tegen het bewaringbesluit opnieuw.
De Afdeling verwierp de bezwaren van de vreemdeling over ongeoorloofd onderscheid, onvoldoende onderbouwing van de bewaring, het ontbreken van motivering voor het niet toepassen van een lichter middel en het ontbreken van zicht op uitzetting naar Mali. De staatssecretaris had voldoende gemotiveerd dat de bewaring gerechtvaardigd was en dat zicht op uitzetting bestond, mede gelet op de medewerking van de vreemdeling. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.