ECLI:NL:RVS:2016:830
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen terugvordering huurtoeslag wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant waarin het bezwaar tegen de terugvordering van een voorschot huurtoeslag over 2011 niet-ontvankelijk werd verklaard. De Belastingdienst had het voorschot van € 3.211,00 teruggevorderd omdat het inkomen van appellant hoger bleek dan aanvankelijk geschat, waardoor hij niet meer in aanmerking kwam voor huurtoeslag.
Appellant maakte bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit, maar diende dit te laat in. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat de vermeende ziekenhuisopnames en contacten met de Belastingdienst na de termijn plaatsvonden. Ook de door appellant aangevoerde onjuiste voorlichting en telefonische contacten konden de termijnoverschrijding niet rechtvaardigen.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt deze beoordeling. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het terugvorderingsbesluit onherroepelijk is geworden. Het verzoek van appellant om nabetalingen buiten beschouwing te laten op grond van het Besluit huurtoeslag kon daarom niet meer inhoudelijk worden behandeld. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de terugvordering huurtoeslag is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare redenen.