ECLI:NL:RVS:2016:979
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor verhuur zonder huisvestingsvergunning ondanks beroepsgronden
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde op 15 juli 2013 een bestuurlijke boete van €18.500,- op aan appellant wegens het in gebruik geven van een woning aan een huishouden zonder huisvestingsvergunning. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze boete, maar zowel het college als de rechtbank verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep diverse argumenten aan, waaronder belemmering door privacyrechten van huurders, schending van het gelijkheidsbeginsel, onbevoegd gebruik van bestuursbevoegdheid, vermeende belangenverstrengeling en partijdigheid van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, alsmede onvoldoende motivering van het besluit. De Raad van State overwoog dat appellant geen nieuwe feiten of argumenten aanvoerde die de eerdere overwegingen onjuist maken.
De Raad benadrukte dat appellant als professioneel verhuurder geacht wordt te weten dat een huurder over een huisvestingsvergunning moet beschikken. De vermeende toezeggingen door medewerkers van de gemeente konden niet worden aangetoond. Ook werd geen bewijs gevonden voor partijdigheid of onrechtmatigheden in de behandeling van het bezwaar. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €18.500,- wordt bevestigd.