ECLI:NL:RVS:2016:999
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bedrijfsparkeervergunning wegens samenvoeging bedrijven
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft op 16 juli 2014 de aan de holding verleende bedrijfsparkeervergunning ingetrokken omdat de holding en een ander bedrijf gevestigd in aaneengesloten bebouwing in wezen als één bedrijf worden beschouwd. Dit betekent dat zij gezamenlijk recht hebben op slechts één bedrijfsparkeervergunning vanwege het aantal werknemers.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft deze intrekking op 10 maart 2015 bevestigd. De holding stelde dat de bedrijven niet als één bedrijf kunnen worden gezien, onder meer omdat zij verschillende activiteiten verrichten en gescheiden geldstromen hebben. De Raad van State oordeelt echter dat de juridische en feitelijke verwevenheid, zoals het gedeelde belastingconsulentennummer, het bestuur en het adres, voldoende bewijs vormen dat het om één bedrijf gaat.
De holding voerde ook aan dat het vertrouwensbeginsel en de hardheidsclausule toegepast hadden moeten worden, maar deze argumenten werden verworpen. De Raad van State bevestigt dat het college discretionaire bevoegdheid heeft bij het toepassen van de hardheidsclausule en dat de omstandigheden van de directeur van de holding niet tot een uitzondering leiden.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bedrijfsparkeervergunning aan de holding wordt bevestigd.