ECLI:NL:RVS:2017:1138

Raad van State

Datum uitspraak
26 april 2017
Publicatiedatum
26 april 2017
Zaaknummer
201602732/3/R3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:19 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bestemmingsplan Noordoosthoek Hoornse Meer wegens privacyaantasting

De zaak betreft een beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan 'Noordoosthoek Hoornse Meer' vastgesteld door de raad van de gemeente Groningen. Appellanten voerden aan dat het plan hun privacy aantast doordat het plan ruimte liet voor wegen en parkeervoorzieningen tegenover hun woning, wat tot inkijk zou leiden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in een tussenuitspraak dat het oorspronkelijke besluit van 24 februari 2016 in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel en vernietigde het deel van het plan met de bestemming 'Dienstverlening'. De raad werd opgedragen het gebrek binnen 20 weken te herstellen.

De raad stelde vervolgens op 15 februari 2017 een nieuw bestemmingsplan vast waarin de gronden tegenover de woning van appellanten de bestemming 'Groen' kregen, waardoor wegen en parkeervoorzieningen niet meer zijn toegestaan. Appellanten hebben geen zienswijze ingediend tegen dit herstelbesluit.

De Afdeling verklaarde het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht. Er zijn geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het oorspronkelijke bestemmingsplan is vernietigd wegens strijd met zorgvuldigheid, het herstelbesluit is bevestigd en het beroep daarop ongegrond verklaard.

Uitspraak

201602732/3/R3.
Datum uitspraak: 26 april 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], wonend te Groningen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Groningen,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2984, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van die uitspraak het gebrek in het besluit van 24 februari 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Noordoosthoek Hoornse Meer" met inachtneming van overweging 15.2 te herstellen.
Bij besluit van 15 februari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Noordoosthoek Hoornse Meer" vastgesteld.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Tussenuitspraak
1.    Naar aanleiding van de beroepsgrond van [appellanten] dat het plan leidt tot aantasting van hun privacy en dat zij inkijk in hun woning vrezen, nu die woning grenst aan het plangebied, heeft de Afdeling in de  tussenuitspraak onder 15.2 overwogen dat ter plaatse van de gronden die liggen tegenover de woning van [appellanten] de bestemming "Dienstverlening" is toegekend en dat hiermee het plan ruimte laat voor de aanleg van een weg of parkeervoorzieningen ter plaatse van de gronden die direct tegenover de woning van [appellanten] liggen. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat de maximale planologische mogelijkheden in dit kader bepalend zijn en dat de raad dit niet heeft onderkend, zodat het plan is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.
Het besluit van 24 februari 2016
2.    Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak, is het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 24 februari 2016 gegrond. Het besluit van 24 februari 2016 dient wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd, voor zover het het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" betreft.
Het besluit van 15 februari 2017
3.    Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending daarvan het gebrek te herstellen.
4.    Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 15 februari 2017 het bestemmingsplan "Noordoosthoek Hoornse Meer" vastgesteld. Dit besluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.
5.    In het bij besluit van 15 februari 2017 vastgestelde plan heeft de raad aan gronden waarop zich bestaande bosschages bevinden en die direct tegenover de woning van [appellanten] liggen, de bestemming "Groen" toegekend. Aan deze gronden was in het op 24 februari 2016 vastgestelde plan de bestemming "Dienstverlening" toegekend.
6.    Artikel 5, lid 5.1, van de planregels luidt: "De voor ‘groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bomen en bosschages;
b. groenvoorzieningen en mantelvegetatie;
c. bermen en beplantingen;
d. waterlopen en waterpartijen;
e. additionele voorzieningen, met dien verstande dat wegen, fiets- en voetpaden en parkeervoorzieningen niet zijn toegestaan.
Lid 5.2.1 van dat artikel van de planregels luidt: "Er zijn wat de bebouwing betreft uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, toegestaan ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde doeleinden."
7.    [appellanten] hebben geen zienswijze ingediend over de wijze waarop het gebrek is hersteld.
8.    Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het besluit van 15 februari 2017 ongegrond.
Proceskosten
9.     Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het beroep van [appellanten] tegen het besluit van de raad van de gemeente Groningen van 24 februari 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Noordoosthoek Hoornse Meer" gegrond;
II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Groningen van 24 februari 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Noordoosthoek Hoornse Meer" voor zover het het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" betreft;
III.    verklaart het beroep van [appellanten] tegen het besluit van de raad van de gemeente Groningen van 15 februari 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Noordoosthoek Hoornse Meer" ongegrond;
IV.    gelast dat de raad van de gemeente Groningen aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.
w.g. Polak    w.g. Lap
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2017
288.