ECLI:NL:RVS:2017:1168

Raad van State

Datum uitspraak
1 mei 2017
Publicatiedatum
2 mei 2017
Zaaknummer
201602415/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbVreemdelingenwet 2000 Art. 28Vreemdelingenwet 2000 Art. 62
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel na vertrek vreemdeling

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 3 maart 2016 door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.

Tijdens de procedure overgelegd, bleek uit een vertrekverklaring dat de vreemdeling op 22 april 2016 vrijwillig Nederland had verlaten en daarmee instemde met beëindiging van de verblijfsrechtelijke procedures en intrekking van haar verblijfsvergunning. Hierdoor verloor zij het belang bij het hoger beroep. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk was.

De vreemdeling stelde dat vernietiging van het besluit zou kunnen leiden tot een recht op schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring, maar ook dit betoog werd verworpen omdat er geen belang meer was bij de beoordeling van het hoger beroep.

De Raad van State wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling en verklaarde het niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 1 mei 2017.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na vertrek uit Nederland.

Uitspraak

201602415/1/V2.
Datum uitspraak: 1 mei 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 31 maart 2016 in zaak nr. 16/4286 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 maart 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 31 maart 2016 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Uit de door de staatssecretaris overgelegde, door de vreemdeling ondertekende vertrekverklaring blijkt dat zij op 22 april 2016 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vanuit Nederland is vertrokken naar haar land van herkomst, Mongolië. Uit deze verklaring blijkt eveneens dat de vreemdeling met de ondertekening ermee instemt dat de verblijfsrechtelijke procedures worden beëindigd en dat haar verblijfsvergunning wordt ingetrokken. Onder deze omstandigheden heeft de vreemdeling geen belang bij de beoordeling van het door haar ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 maart 2016 en kan dan ook niet meer worden toegekomen aan een rechtmatigheidsoordeel van het besluit van 3 maart 2016. Gelet daarop ontstaat, anders dan de vreemdeling betoogt, evenmin belang door te betogen dat uit een vernietiging van het besluit zou kunnen voortvloeien dat zij ten onrechte in bewaring is gesteld en dan recht op schadevergoeding zou hebben.
2.    Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Bossmann
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2017
664.