ECLI:NL:RVS:2017:1168
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel na vertrek vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 3 maart 2016 door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
Tijdens de procedure overgelegd, bleek uit een vertrekverklaring dat de vreemdeling op 22 april 2016 vrijwillig Nederland had verlaten en daarmee instemde met beëindiging van de verblijfsrechtelijke procedures en intrekking van haar verblijfsvergunning. Hierdoor verloor zij het belang bij het hoger beroep. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk was.
De vreemdeling stelde dat vernietiging van het besluit zou kunnen leiden tot een recht op schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring, maar ook dit betoog werd verworpen omdat er geen belang meer was bij de beoordeling van het hoger beroep.
De Raad van State wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling en verklaarde het niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 1 mei 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na vertrek uit Nederland.