ECLI:NL:RVS:2017:1265
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat staatssecretaris discretionaire bevoegdheid bij Dublinverordening correct toepaste
De vreemdelingen, van Iraakse nationaliteit, vroegen op 6 januari 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan in Nederland. De staatssecretaris wees deze aanvragen niet in behandeling omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was. De vreemdelingen stelden dat er bijzondere individuele omstandigheden waren die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigden om de behandeling aan Nederland toe te wijzen.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakte van zijn discretionaire bevoegdheid, mede gelet op de nauwe afhankelijkheid tussen vreemdeling 2 en haar ouders en de brief van de huisarts. De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de motivering onvoldoende was en dat hij de brief van de huisarts wel degelijk had betrokken.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheden geen bijzondere, individuele omstandigheden vormen die een onevenredige hardheid opleveren. Daarbij speelde mee dat de familieleden al langere tijd gescheiden leefden, andere familieleden in Nederland wonen en zorg kunnen verlenen, en dat de Dublinverordening reeds waarborgen biedt voor gezinshereniging. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.