De burgemeester van Den Haag besloot op 15 juni 2015 tot een tijdelijke sluiting van drie maanden van een seksinrichting vanwege vermoedens van mensenhandel, gebaseerd op rapporten van de Koninklijke Marechaussee en een aanvullend rapport. In bezwaar en beroep werd dit besluit gehandhaafd en bevestigd, waarbij werd gewezen op langdurige werkdagen van sekswerkers en het ontbreken van inschrijving bij de Kamer van Koophandel.
De exploitant stelde dat het bewijs onvoldoende was en dat de vermeende slachtoffers zelf ontkenden slachtoffer te zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er daadwerkelijk slachtoffers van mensenhandel in de seksinrichting werkzaam waren geweest. De motivering was ondeugdelijk, mede omdat belangrijke gegevens zoals telefoontaps niet waren betrokken bij het besluit.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit van 31 augustus 2015 en de uitspraak van de rechtbank Den Haag. De burgemeester werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld.