ECLI:NL:RVS:2017:1721
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C. Kranenburg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering huurtoeslag wegens niet-bewijs van verzorgingsbehoefte medebewoner
De Belastingdienst/Toeslagen stelde de huurtoeslag van appellant over 2014 definitief vast op €391 en vorderde €2.695 terug, omdat bij voorschotten geen rekening was gehouden met het inkomen van de medebewonende moeder. Appellant voerde aan dat haar moeder vanwege verzorgingsbehoefte buiten beschouwing moest blijven, gesteund op een CIZ-indicatie.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde CIZ-verklaring geen indicatie voor verblijf bevatte, zoals vereist volgens artikel 2a van het Besluit huurtoeslag, en dat het inkomen van de moeder terecht werd meegeteld. Appellant stelde in hoger beroep dat de indicatie wel op verblijf zag, dat zij mocht vertrouwen op mededelingen van het CIZ en dat sprake was van ongelijkheid.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het oordeel van de rechtbank. De wettelijke regeling vereist een indicatie voor verblijf, die niet uit de verklaring blijkt. Er is geen sprake van een rechtens te honoreren toezegging door het bestuursorgaan en het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.