ECLI:NL:RVS:2017:1745

Raad van State

Datum uitspraak
3 juli 2017
Publicatiedatum
4 juli 2017
Zaaknummer
201605901/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard

De vreemdeling had bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en legde aan de staatssecretaris een termijn op om alsnog te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een ingebrekestelling vereist is voordat beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, tenzij bijzondere omstandigheden dit redelijkerwijs niet vergen.

In deze zaak had de vreemdeling geen ingebrekestelling gestuurd en waren er geen omstandigheden die dit konden rechtvaardigen. Daarom had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk.

Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 3 juli 2017.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ingebrekestelling.

Uitspraak

201605901/1/V3.
Datum uitspraak: 3 juli 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2016 in zaak nr. 16/7589 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij uitspraak van 28 juli 2016 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt en aan de vreemdeling een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat de voormelde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,00.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. Y. Tamer, advocaat te Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.
1.1.    Artikel 6:12 van Pro de Awb luidt:
'1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit […], is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen […], en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
[…]'.
1.2.    De rechtbank heeft onderkend dat de vreemdeling, alvorens beroep in te stellen, geen ingebrekestelling aan de staatssecretaris heeft gezonden. Nu niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet van de vreemdeling kon worden gevergd dat zij de staatssecretaris in gebreke stelt alvorens beroep in te stellen, heeft de rechtbank daaraan echter ten onrechte niet de conclusie verbonden dat het beroep niet-ontvankelijk is.
2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2016 in zaak nr. 16/7589;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Borman    w.g. Bechinka
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2017
371.