ECLI:NL:RVS:2017:1841

Raad van State

Datum uitspraak
7 juli 2017
Publicatiedatum
10 juli 2017
Zaaknummer
201606181/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • H. Troostwijk
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:54 AwbArt. 83 Vreemdelingenwet 2000Art. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en terugwijzing zaak verblijfsvergunning asiel na procedurefout staatssecretaris

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 10 juli 2016 de aanvraag van een vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 augustus 2016 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris het besluit nam zonder de aangekondigde nationaliteitsverklaring van de vreemdeling af te wachten, wat in strijd was met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verder stelde de staatssecretaris terecht dat de rechtbank hem niet in de gelegenheid had gesteld om de nationaliteitsverklaring door een onderzoeksbureau te laten onderzoeken, wat een schending van artikel 83 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 inhoudt. Daarom werd het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe behandeling.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbehandeling met inachtneming van het hoor en wederhoor.

Uitspraak

201606181/1/V2.
Datum uitspraak: 7 juli 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1.    de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
2.    [vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 4 augustus 2016 in zaak nr. NL16.1707 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 4 augustus 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.S. Yap, advocaat te Bergen Op Zoom, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb, omdat hij het besluit van 10 juli 2016, waarin hij de aanvraag mede heeft afgewezen omdat de vreemdeling zijn nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft genomen zonder de door de vreemdeling in zijn correcties en aanvullingen van 7 juli 2016 aangekondigde nationaliteitsverklaring af te wachten.
In het hoger beroep van de vreemdeling
3.    Hetgeen in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
In het hoger beroep van de staatssecretaris
4.    Hetgeen de staatssecretaris aanvoert in het eerste deel van zijn grief, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
5.    De door de vreemdeling aangekondigde nationaliteitsverklaring heeft hij uiteindelijk op 14 juli 2016 verkregen. Deze heeft hij vervolgens op 1 augustus 2016 bij de rechtbank ingebracht. De staatssecretaris voert in het tweede deel van zijn grief aan dat de rechtbank hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om een standpunt over die verklaring in te nemen.
5.1.    De staatssecretaris heeft de rechtbank bij brief van 2 augustus 2016, derhalve daags nadat de vreemdeling de nationaliteitsverklaring had ingebracht en vóór de zitting die heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2016, verzocht de gelegenheid te krijgen om de nationaliteitsverklaring door Bureau Documenten te laten onderzoeken, om zo te kunnen bepalen welke waarde hij daaraan hecht. De rechtbank heeft de staatssecretaris, in strijd met artikel 83 van Pro de Vw 2000, daartoe niet in de gelegenheid gesteld.
Het tweede deel van de grief slaagt.
Conclusie
6.    Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond en het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;
II.    verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 4 augustus 2016 in zaak nr. NL16.1707;
IV.    wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Fernandez
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2017
753. BIJLAGE
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 83
1. De rechtbank houdt bij de beoordeling van het beroep rekening met:
a. feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd,     en
b. wijzigingen van beleid die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt.
[…]
5. Onze Minister laat de wederpartij en de rechtbank zo spoedig mogelijk schriftelijk weten of de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit. De rechtbank kan daarvoor een termijn stellen.
[…]