ECLI:NL:RVS:2017:1901

Raad van State

Datum uitspraak
11 juli 2017
Publicatiedatum
12 juli 2017
Zaaknummer
201607126/4/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • A.B.M. Hent
  • D.J.C. van den Broek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State

Een verzoeker heeft bij de Raad van State verzocht om wraking van mr. R.J.J.M. Pans, voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak, in een zaak betreffende een door verzoeker gedaan verzet. Het wrakingsverzoek was gebaseerd op een door de voorzitter gestelde vraag tijdens de zitting die volgens verzoeker niet relevant was en op zijn functie als voorzitter van de Academie voor Overheidsjuristen, waardoor hij mogelijk banden zou hebben met juristen van de Universiteit van Amsterdam.

De Raad van State heeft overwogen dat een rechter wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat er bijzondere omstandigheden zijn die deze veronderstelling doorbreken. De gestelde vraag van de voorzitter werd gezien als een poging om de achtergrond van de zaak te begrijpen en niet als een aanwijzing van partijdigheid. Ook het voorzitterschap van de Academie voor Overheidsjuristen werd niet als een grond voor partijdigheid aangemerkt, mede omdat er geen verband was met het verzet van verzoeker.

De aangehaalde jurisprudentie door verzoeker, waaronder een uitspraak van de Afdeling en een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, was niet relevant voor de vraag of de voorzitter vooringenomen was. Daarom concludeerde de Raad dat er geen feiten of omstandigheden waren die de rechterlijke onpartijdigheid konden schaden en wees het wrakingsverzoek af.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

201607126/4/A3.
Datum beslissing: 11 juli 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend te Amsterdam,
om wraking (artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van mr. R.J.J.M. Pans als voorzitter van de Afdeling bij de behandeling van de zaak nr. 201607126/3.
Procesverloop
Bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2017, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. R.J.J.M. Pans bij de behandeling van de zaak nr. 201607126/3, betreffende een door [verzoeker] gedaan verzet.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft op 5 juli 2017 [verzoeker] gehoord.
Overwegingen
1.    Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van Pro de Awb elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.    [verzoeker] heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat staatsraad Pans tijdens de zitting, waar zijn verzet werd behandeld, een vraag stelde die niet met het geschil te maken had en waaruit de partijdigheid van de staatsraad bleek. Hij heeft voorts aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de staatsraad voorzitter is van de Academie van Overheidsjuristen en het uit hoofde van die functie bijna onmogelijk is dat hij geen betrekkingen onderhoudt met juristen van de Universiteit van Amsterdam. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft [verzoeker] ter zitting gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1593, en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 26 januari 2017, Ivanova en Ivashova tegen Rusland, ECLI:CE:ECHR:2017:0126JUD000079714.
2.1.    Als maatstaf geldt dat de staatsraad uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen.
2.2.    Dat de staatsraad ter zitting een vraag heeft gesteld die niet direct relevant is voor de behandeling van het verzet van [verzoeker], maar is gesteld om een beeld te krijgen van de achtergrond van de zaak leidt niet tot het oordeel dat sprake is van partijdigheid van de staatsraad.
2.3.    De enkele omstandigheid dat de staatsraad voorzitter is van de Academie voor Overheidsjuristen levert, gezien het ontbreken van enig verband tussen die functie en het door [verzoeker] gedane verzet, geen feiten of omstandigheden op die het oordeel rechtvaardigen dat daardoor de rechterlijke onpartijdigheid in het onderhavige geding zou kunnen worden geschaad. [verzoeker] heeft ook niet aangevoerd waarom uit het voorzitterschap van de staatsraad wel de gestelde partijdigheid zou blijken.
2.4.    De uitspraak van de Afdeling en het arrest van het EHRM die [verzoeker] ter zitting heeft genoemd, hebben geen betrekking op de in deze procedure voorliggende vraag of de staatsraad vooringenomen of partijdig heeft gehandeld.
3.    Het bovenstaande leidt ertoe dat er geen grond is voor het oordeel dat sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ook anderszins geeft het door [verzoeker] aangevoerde geen aanknopingspunt voor die conclusie.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Parkins-de Vin    w.g. Pieters
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017
473.