ECLI:NL:RVS:2017:1909

Raad van State

Datum uitspraak
13 juli 2017
Publicatiedatum
14 juli 2017
Zaaknummer
201602414/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 66a Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit inreisverbod wegens onvoldoende motivering gevaar openbare orde

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 15 oktober 2015 een verzoek van de vreemdeling ingewilligd om zijn ongewenstverklaring op te heffen, maar tegelijkertijd een inreisverbod van drie jaar opgelegd. Dit besluit was gebaseerd op eerdere strafrechtelijke veroordelingen van de vreemdeling in 2004 en 2006 voor bezit van vals reisdocument, verduistering en valsheid in geschrifte.

De vreemdeling stelde beroep in tegen het besluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond. In hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat het enkel verwijzen naar de strafrechtelijke veroordelingen voldoende was om het inreisverbod te rechtvaardigen, terwijl het Unierechtelijke begrip 'gevaar voor de openbare orde' een actuele en voldoende ernstige bedreiging vereist.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde zou vormen door alleen te verwijzen naar de oude veroordelingen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.

Deze uitspraak benadrukt het belang van een individuele en actuele beoordeling van het gevaar voor de openbare orde bij het opleggen van inreisverboden en de noodzaak van een deugdelijke motivering door het bestuursorgaan.

Uitkomst: Het inreisverbod wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het gevaar voor de openbare orde.

Uitspraak

201602414/1/V2.
Datum uitspraak: 13 juli 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 maart 2016 in zaak nr. 15/20056 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring ingewilligd en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 9 maart 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.W.M. Toemen, advocaat te 's- Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In hoger beroep is niet in geschil dat de vreemdeling op 9 november 2004 en 18 augustus 2006 door de politierechter is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden voor het bezit van een vals reisdocument, verduistering en valsheid in geschrifte. De staatssecretaris heeft de vreemdeling daarop ongewenst verklaard. Nadat hij de ongewenstverklaring heeft ingetrokken, heeft hij de vreemdeling een zwaar inreisverbod voor de duur van drie jaar opgelegd. Hieraan heeft de staatssecretaris voormelde veroordeling ten grondslag gelegd.
2.    De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank heeft miskend dat het Unierechtelijke begrip 'gevaar voor de openbare orde', zoals nader uitgewerkt in het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377, ook van toepassing is op het aan hem opgelegde inreisverbod. De staatssecretaris heeft voor het opleggen van het inreisverbod niet kunnen volstaan met alleen een verwijzing naar zijn strafrechtelijke veroordeling.
3.    De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 8 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3012. Uit die uitspraak volgt dat bij de toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de staatssecretaris per geval moet beoordelen of het persoonlijke gedrag van de betrokken vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Door alleen te verwijzen naar de strafrechtelijke veroordeling van de vreemdeling in 2004 en 2006, heeft de staatssecretaris onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt.
….De grief slaagt.
4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 15 oktober 2015 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren en het besluit vernietigen.
5.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 maart 2016 in zaak nr. 15/20056;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 oktober 2015, kenmerk […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier.
w.g. Parkins-de Vin    w.g. Duyster
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2017
664.