ECLI:NL:RVS:2017:2011

Raad van State

Datum uitspraak
26 juli 2017
Publicatiedatum
26 juli 2017
Zaaknummer
201609153/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling Belastingdienst tot vergoeding proceskosten wegens gewijzigde beslissing zorgtoeslag 2014

Appellant maakte bezwaar tegen de definitieve vaststelling van zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2014 door de Belastingdienst/Toeslagen. De Belastingdienst stelde de toeslagen aanvankelijk op nihil en €909,00 vast en vorderde teveel ontvangen voorschotten terug. Na bezwaar verklaarde de dienst het bezwaar ongegrond en later niet-ontvankelijk, maar kondigde een herziene toekenningsbeslissing aan waarbij appellant tegemoet werd gekomen.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, zonder proceskostenvergoeding toe te kennen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij recht heeft op vergoeding van proceskosten voor het indienen van het beroepschrift, omdat de Belastingdienst het besluit heeft herzien nadat het beroep was ingesteld.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. Door de herziene beslissing is appellant tegemoetgekomen en is zijn procesbelang komen te vervallen, waardoor een proceskostenveroordeling op grond van de Awb mogelijk is. De Raad veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten van €1.485,00 en het griffierecht van €251,00. De rest van de uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Belastingdienst wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant wegens gewijzigde beslissing zorgtoeslag 2014.

Uitspraak

201609153/1/A2.
Datum uitspraak: 26 juli 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2016 in zaak nr. 16/4537 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en het kindgebonden budget van [appellant] over het jaar 2014 definitief vastgesteld op nihil respectievelijk € 909,00 en de teveel ontvangen voorschotten ter hoogte van € 888,00 en € 348,00 teruggevorderd.
Bij besluit van 11 juni 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld.
Bij besluit van 14 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een herziene beslissing op het bezwaar genomen, die het besluit van 11 juni 2016 vervangt, en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen medegedeeld dat [appellant] een herziene toekenningsbeslissing zal ontvangen waarin hem wordt tegemoetgekomen.
Bij mondelinge uitspraak van 18 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 11 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard, bepaald dat de Belastingdienst/Toeslagen het griffierecht ter hoogte van € 46,00 aan [appellant] dient te vergoeden en het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2016 ongegrond verklaard. Dit proces-verbaal is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.R.R. Oevering, advocaat te Amsterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 11 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit nu de Belastingdienst/Toeslagen het besluit niet heeft gehandhaafd. De rechtbank heeft bepaald dat de dienst aan [appellant] het griffierecht dient te vergoeden. Voorts heeft zij het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2016 ongegrond verklaard, omdat [appellant] zijn bezwaar, zoals hij ook ter zitting heeft erkend, te laat heeft ingediend. Voor een proceskostenveroordeling bestaat aldus geen aanleiding, aldus de rechtbank.
2.    [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor het indienen van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft hij niet ter zitting in beroep erkend dat hij het bezwaar te laat heeft ingediend. Hij heeft gesteld dat hij reeds op 30 maart 2016 bezwaar had gemaakt en dat zich een bewijsrechtelijk probleem voordoet. Tevens heeft hij ter zitting vermeld dat indien hij was gehoord, al in de bezwaarfase naar voren had kunnen komen dat ten onrechte was uitgegaan van een toeslagpartner. Nu hij niet is gehoord, dient dit voor rekening van de Belastingdienst/Toeslagen te komen. Verder heeft de dienst ter zitting toegezegd dat de proceskosten zouden worden vergoed voor het indienen van het beroepschrift. Dit is ook terecht, aangezien de dienst het besluit heeft herzien nadat het beroep reeds was ingesteld, aldus [appellant].
2.1.    De relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luiden als volgt:
Artikel 8:75, eerste lid
De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. (…).
Artikel 8:75a, eerste lid
In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in Pro de kosten worden veroordeeld. (…).
2.2.    In het herziene besluit op bezwaar van 14 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen medegedeeld dat [appellant] een herziene definitieve berekening zal ontvangen aangezien bij nader inzien is gebleken dat het inkomen van [persoon] ten onrechte is meegenomen bij het bepalen van de hoogte van de toeslagen. Ondanks dat de dienst in datzelfde besluit het bezwaar van [appellant] alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens een niet-verschoonbare termijnoverschrijding, is hij met het aankondigen van een herziene definitieve berekening aan [appellant] als indiener van het beroep tegemoetgekomen met als gevolg dat hangende de procedure diens procesbelang is komen te ontvallen. Met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb is in dit geval een proceskostenveroordeling mogelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar aanvankelijk ongegrond heeft bevonden en pas nadat [appellant] hiertegen beroep had ingesteld, niet-ontvankelijk heeft verklaard, waarmee door toedoen van de dienst het geschil is gewijzigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte beslist dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat. Aan [appellant] zal alsnog 1 punt worden toegekend voor het indienen van het beroepschrift. Gelet op het feit dat [appellant] vóór aanvang van de zitting in beroep door de rechtbank per fax van 14 oktober 2016 op de hoogte is gesteld van het herziene besluit op bezwaar en hij kon weten dat een zitting in dit geval geen meerwaarde zou hebben nu de Belastingdienst/Toeslagen in het herziene besluit op bezwaar aan [appellant] is tegemoetgekomen, komt hij niet in aanmerking voor een proceskostenvergoeding in verband met het bijwonen van de zitting.
Het betoog slaagt.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten te veroordelen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog een proceskostenveroordeling uitspreken ten laste van de Belastingdienst/Toeslagen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.
4.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2016 in zaak nr. 16/4537, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van de bij [appellant] met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten te veroordelen;
III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
V.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Van Zanten
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017
97-834.