ECLI:NL:RVS:2017:2107

Raad van State

Datum uitspraak
27 juli 2017
Publicatiedatum
2 augustus 2017
Zaaknummer
201705931/1/A3 en 201705931/2/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet tijdelijk huisverbodArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 9 Wet tijdelijk huisverbod
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging huisverbod en verlenging wegens dreigend gevaar na geweldsincident

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam die het huisverbod van de burgemeester handhaafde. Het huisverbod was opgelegd na een incident waarbij verzoeker, onder invloed van alcohol, met een luchtdrukpistool op zijn vriendin richtte en in de deur schoot. De vriendin vluchtte met haar minderjarige zoon naar de buren en wachtte de politie af.

De burgemeester had het huisverbod op 3 juli 2017 opgelegd en op 12 juli 2017 met achttien dagen verlengd. De rechtbank oordeelde dat de burgemeester bevoegd was en het huisverbod in redelijkheid had opgelegd, mede vanwege het ernstige gevaar voor de veiligheid van de vriendin en haar kind. De gedragsaanwijzing van de officier van justitie werd als een aparte strafrechtelijke maatregel gezien die de bestuursrechtelijke maatregel niet aantast.

De verlenging van het huisverbod werd eveneens als terecht beoordeeld omdat de dreiging voortduurde. Er was nog geen aanvang gemaakt met hulpverlening, omdat de vriendin te bang was. Adviezen van Veilig Thuis en andere hulpverleners ondersteunden de verlenging om een systeemgesprek te kunnen voeren. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het huisverbod en de verlenging daarvan worden bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

201705931/1/A3 en 201705931/2/A3.
Datum uitspraak: 27 juli 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Awb, op het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te Oostvoorne, gemeente Westvoorne,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 17 juli 2017 in zaken nrs. 17-5833, 17-783, 17-5948 en 17-803 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de burgemeester van Westvoorne.
Openbare zitting gehouden op 27 juli 2017 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter
griffier: mr. E.A. Binnema
Verschenen:
[verzoeker], vertegenwoordigd door mr. J.J.E. Stout, advocaat te Rotterdam;
De burgemeester, vertegenwoordigd door G.R. Goemaat-Breederland, G.C.J. Nagtegaal, D. Sluijmers en I. Houfaty.
[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) van 17 juli 2017 in zaak nrs. 17/5833 en 17/5948 en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het geding betreft het besluit van de burgemeester van 3 juli 2017, waarbij aan [verzoeker] een huisverbod is opgelegd, en het besluit van de burgemeester van 12 juli 2017, waarbij het huisverbod met achttien dagen is verlengd.
De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter
I.     bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.     wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Gronden
De rechtbank heeft het huisverbod terecht in stand gelaten. De burgemeester was bevoegd het huisverbod aan [verzoeker] op te leggen en heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Hierbij is van belang:
- Uit de stukken komt naar voren dat [verzoeker] en zijn vriendin [vriendin] op 2 juli 2017 ruzie hebben gekregen. Tijdens deze ruzie heeft [verzoeker], die zwaar onder invloed van alcohol was, een luchtdrukpistool gepakt en op [vriendin] gericht. Vervolgens heeft hij in de deur van de woonkamer geschoten. [vriendin] is met haar minderjarige zoon, die ook bij het incident aanwezig was, naar de buren gevlucht en heeft daar de komst van de politie afgewacht. De betwisting door [verzoeker] van deze feiten is niet met concrete gegevens onderbouwd.
- Het incident volgt op een periode waarin zich spanningen in de relatie tussen [verzoeker] en [vriendin] voordeden.
- De burgemeester heeft op basis van deze feiten en omstandigheden terecht aangenomen dat de aanwezigheid van [verzoeker] een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod opleverde.
- De gedragsaanwijzing die de officier van justitie aan [verzoeker] heeft opgelegd is een strafrechtelijke maatregel die losstaat van de bestuursrechtelijke maatregel tot oplegging van een huisverbod. Deze gedragsaanwijzing doet daarom niet af aan de bevoegdheid van de burgemeester.
- Gelet op de eerdergenoemde feiten en omstandigheden heeft de burgemeester de belangen van [vriendin] en haar minderjarige zoon, over wie zij het ouderlijk gezag heeft, in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan de door [verzoeker] gestelde belangen. Daarbij heeft de burgemeester een zwaar gewicht mogen toekennen aan het belang van het kind bij een veilige leefomgeving. De burgemeester heeft daarbij ook mogen betrekken dat [verzoeker] onderdak heeft bij zijn moeder, hetgeen - zoals ter zitting gebleken - tijdelijk wordt gedoogd door de verhuurder.
De rechtbank heeft eveneens de verlenging van het huisverbod terecht in stand gelaten. Van belang hierbij is:
- Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.
- De Afdeling heeft eerder overwogen dat bij de beoordeling of de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, van belang is of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken.
- Tot op heden is nog geen aanvang met de hulpverlening gemaakt, omdat [vriendin] te kennen heeft gegeven heel erg bang voor [verzoeker] te zijn. Veilig Thuis en andere betrokken hulpverleners hebben aan de burgemeester geadviseerd het huisverbod te verlengen om een zogenoemd systeemgesprek met [verzoeker], [vriendin] en hulpverleners in te plannen. Ter zitting is gebleken dat dit gesprek zal plaatsvinden op 31 juli 2017.
- Gelet op de ernst van het incident is hulpverlening van groot belang. Nu de hulpverlening nog niet is opgestart, bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de dreiging van het gevaar niet langer bestaat. De burgemeester heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de dreiging van het gevaar zich voortzet.
w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Binnema
voorzieningenrechter    griffier
589.