ECLI:NL:RVS:2017:2313

Raad van State

Datum uitspraak
30 augustus 2017
Publicatiedatum
30 augustus 2017
Zaaknummer
201606295/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.28 APV Zutphen 2011Art. 1.8 APV Zutphen 2011Art. 3.1 Bestemmingsplan Zuid-OostkwartierArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring hoger beroep tegen exploitatievergunning horeca-inrichting Zutphen

De burgemeester van Zutphen verleende op 11 mei 2015 een exploitatievergunning aan de Stichting Het Dagelijks Bestaan voor een horeca-inrichting aan de Veerstraat 5 te Zutphen. Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning en voerde aan dat de vergunning in strijd was met het bestemmingsplan, omdat de locatie de bestemming 'bedrijf' heeft en horeca niet binnen deze bestemming zou passen. De burgemeester verklaarde het bezwaar ongegrond en verlengde later de vergunning meerdere malen.

De rechtbank Gelderland verklaarde het bezwaar van appellant gegrond en vernietigde het besluit van 1 december 2015, waarna de burgemeester een nieuw besluit nam dat opnieuw het bezwaar ongegrond verklaarde. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de horeca-activiteiten van de stichting binnen de bestemming 'bedrijf' met de aanduiding 'cat. 1 & 2' vallen volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten die bij het bestemmingsplan hoort, en dat de vestiging van de horeca-inrichting niet in strijd is met het bestemmingsplan. Het betoog van appellant faalt daarom. Ook het verzoek tot exceptieve toetsing van het bestemmingsplan werd verworpen.

Hoewel de exploitatievergunning later is ingetrokken, achtte de Afdeling appellant nog belanghebbende vanwege de door hem gestelde waardevermindering van omliggende woningen gedurende de geldigheidsduur van de vergunning. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2016 werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de exploitatievergunning is ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2016 is eveneens afgewezen.

Uitspraak

201606295/1/A3.
Datum uitspraak: 30 augustus 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen, wonend te Zutphen, (hierna in enkelvoud: [appellant]),
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 juli 2016 in zaak nr. 15/7613 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Zutphen.
Procesverloop
Bij besluit van 11 mei 2015 heeft de burgemeester aan de Stichting Het Dagelijks Bestaan (hierna: de stichting) onder voorschriften een exploitatievergunning verleend voor exploitatie van een horeca-inrichting aan de Veerstraat 5 te Zutphen.
Bij besluit van 1 december 2015 heeft de burgemeester het daartegen door, voor zover thans van belang, [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 juli 2016 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 december 2015 vernietigd en de burgemeester opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft de burgemeester het door [appellant] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. [appellant] heeft bij de rechtbank een tegen dat besluit gericht beroepschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroepschrift aan de Afdeling doorgezonden.
De burgemeester en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2017, waar [appellant], [appellante A] en de burgemeester, vertegenwoordigd door J.V.H. Nijman, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    Op 27 januari 2015 heeft de stichting een aanvraag om verlening van een exploitatievergunning voor het exploiteren van een horeca-leerwerkbedrijf ingediend. De burgemeester heeft deze vergunning, met een geldigheidsduur tot 1 juni 2016, bij het besluit van 11 mei 2015 onder voorschriften verleend. Bij het besluit van 1 december 2015 heeft de burgemeester het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 19 mei 2016 heeft de burgemeester de geldigheidsduur van de verleende exploitatievergunning verlengd tot 1 juni 2017. Bij de uitspraak van 12 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 1 december 2015 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de burgemeester opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen. Bij het besluit van 23 augustus 2016 heeft de burgemeester het bezwaar, onder aanvulling van de motivering van het besluit van 11 mei 2015 en de daarin opgenomen voorschriften, opnieuw ongegrond verklaard. Bij besluit van 18 mei 2017 heeft de burgemeester de geldigheidsduur van de verleende exploitatievergunning verlengd tot 1 juni 2018. Bij besluit van 12 juni 2017 heeft de burgemeester de verleende exploitatievergunning op verzoek van de stichting, die niet langer van die vergunning gebruik wenst te maken, ingetrokken.
2.    De burgemeester heeft in zijn nader stuk aangevoerd dat [appellant] geen belang meer bij een beoordeling van zijn hoger beroep heeft, omdat de verleende exploitatievergunning inmiddels is ingetrokken.
De Afdeling volgt de burgemeester hierin niet. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat gedurende de periode dat de exploitatievergunning geldig was de omliggende woningen in waarde zijn verminderd en moeilijk verkoopbaar waren, waardoor voor vergoeding in aanmerking komende schade is geleden. Als voorbeeld heeft [appellant] het geval van [persoon] vermeld, die zijn woning gedurende die periode met moeite en tegen een lager dan verwacht bedrag heeft verkocht. De burgemeester heeft ter zitting van de Afdeling te kennen gegeven dat hij een waardeverminderend effect van de verleende exploitatievergunning mogelijk acht. Gelet hierop is tot op zekere hoogte aannemelijk dat als gevolg van de verleende exploitatievergunning schade is geleden. [appellant] heeft reeds daarom belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep.
3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond heeft verworpen dat de burgemeester de exploitatievergunning had moeten weigeren omdat vestiging van een horeca-inrichting ter plaatse in strijd is met het Bestemmingsplan Zuid-Oostkwartier (hierna: het Bestemmingsplan). Hiertoe voert hij aan dat ter plaatse de bestemming "bedrijf", en niet de bestemming "horeca", geldt. Het begrip "bedrijf" is niet in de planregels gedefinieerd en moet daarom worden uitgelegd in het licht van de systematiek en het doel van het Bestemmingsplan. Dit doel is conservering van bestemmingen. Het begrip "bedrijf" moet volgens [appellant] daarom beperkt worden uitgelegd, zodat de activiteiten van de stichting erbuiten vallen. De Staat van Bedrijfsactiviteiten (hierna: de SvB) bij het Bestemmingsplan en de Notitie Horecavestigingsbeleid Gemeente Zutphen verzetten zich niet tegen deze beperkte uitleg, aldus [appellant].
3.1.    Artikel 2.28, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 2011 (hierna: de APV) luidt: "Het is verboden een openbare inrichting, als bedoeld in één van de door de burgemeester aangewezen categorieën, te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester."
Het tweede lid luidt: "Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning indien de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan."
3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1466, zijn de op de plankaart aangegeven bestemming en de daarbij behorende voorschriften bepalend voor het antwoord op de vraag of in strijd met het desbetreffende bestemmingsplan wordt gehandeld. Volgens de plankaart van het Bestemmingsplan rust op het perceel aan de Veerstraat 5 de bestemming "bedrijf". Het gaat om de bestemming "bedrijf" met de aanduiding "cat. 1 & 2". Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de regels van het Bestemmingsplan zijn de op de plankaart voor de bestemming "bedrijf" met de aanduiding "cat. 1 & 2" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de als bijlage bij het Bestemmingsplan gevoegde SvB. De horeca-activiteiten van de stichting zijn vermeld onder nr. 55, "logies-, maaltijden- en drankenverstrekking", van de SvB. Vestiging van de horeca-inrichting van de stichting aan de Veerstraat 5 was derhalve niet in strijd met het Bestemmingsplan.
Het betoogt faalt.
4.    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank het Bestemmingsplan ten onrechte niet exceptief heeft getoetst, faalt dit betoog eveneens. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN8594, kan de vraag of uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aan het perceel de juiste bestemming is toegekend, in het kader van de exceptieve toetsing van het desbetreffende planonderdeel niet aan de orde komen
5.    Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] te kennen gegeven dat een beoordeling van hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, gelet op de intrekking van de exploitatievergunning, niet meer nodig is.
6.    Het hoger beroep is ongegrond.
7.    De burgemeester heeft hangende het hoger beroep ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het besluit van 23 augustus 2016 genomen. Tegen dit besluit is ingevolge de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege een beroep voor [appellant] ontstaan. Gelet op het voorgaande, zal de Afdeling dit beroep ongegrond verklaren.
8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep ongegrond;
II.    verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van de burgemeester van Zutphen van 23 augustus 2016 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Borman    w.g. Hartsuiker
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017
620.