ECLI:NL:RVS:2017:2322
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na onrechtmatige vreemdelingenbewaring
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep tegen de afwijzing van een schadevergoedingsverzoek ongegrond verklaarde. Appellant verbleef van mei 2008 tot mei 2009 in vreemdelingenbewaring, die later onrechtmatig werd verklaard. Hij vorderde vergoeding van schade die hij door deze detentie zou hebben geleden.
De staatssecretaris wees het verzoek af en de rechtbank oordeelde dat artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 een exclusieve regeling biedt voor schadevergoeding na opheffing van vreemdelingenbewaring, waardoor een zuiver schadebesluit niet mogelijk is. Daarnaast stond de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW Pro de toekenning in de weg. De rechtbank twijfelde ook of de schade voldoende verband hield met de bewaring.
In hoger beroep betoogde appellant dat de schade pas in 2014 aan de bewaring kon worden gerelateerd en dat hij daarom toen pas kon verzoeken. De Afdeling verwierp dit, stellende dat de wetgever een bijzondere regeling heeft bedoeld en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade rechtstreeks aan de bewaring is toe te rekenen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de schadevergoeding bevestigd.