AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit college over handhaving bestemmingsplan wegens onterecht niet-erkend belanghebbende
De maatschap verzocht het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen om handhavend op te treden tegen het gebruik van een berm naast hun perceel te Klaaswaal, dat volgens hen in strijd was met het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Cromstrijen 2013'. Het college liet dit verzoek buiten behandeling en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van de maatschap ongegrond.
In hoger beroep stelde de maatschap dat zij wel als belanghebbende moest worden aangemerkt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de maatschap, althans haar vertegenwoordiger, belanghebbende is bij besluiten over de kruising nabij het perceel en dat het college ten onrechte dit belang niet heeft erkend.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond. Het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij de maatschap als belanghebbende wordt erkend. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de maatschap.
De Afdeling zag geen aanleiding om verder op de overige gronden van het hoger beroep in te gaan. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer onder leiding van mr. N. Verheij op 30 augustus 2017.
Uitkomst: Het besluit van het college wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen waarbij de maatschap als belanghebbende wordt erkend.
Uitspraak
201605707/1/A1.
Datum uitspraak: 30 augustus 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: de maatschap), gevestigd te Klaaswaal, gemeente Cromstrijen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2016 in zaak nr. 15/3402 in het geding tussen:
de maatschap
en
het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen.
Procesverloop
Bij brief van 9 maart 2015 heeft het college het verzoek van de maatschap buiten behandeling gelaten om handhavend op te treden tegen met het bestemmingsplan "Landelijk gebied Cromstrijen 2013" strijdig gebruik op het perceel [locatie] te Klaaswaal.
Bij besluit van 19 mei 2015 heeft het college het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 20 juni 2016 heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De maatschap en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2017, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [maat], en het college, vertegenwoordigd door mr. Y.L.M. Lanooij en mr. F.M. van Jaarsveld, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De bewoners van het perceel [locatie] te Klaaswaal hebben in de berm langs de Rijksstraatweg (N488) naast hun perceel (hierna: de berm) een hekwerk geplaatst en een coniferenhaag geplant. Omdat volgens [maat] de kruising Bommelskoussedijk/Rijksstraatweg (hierna: de kruising) door dit gebruik onoverzichtelijk is geworden en er gevaarlijke situaties kunnen ontstaan, heeft hij begin 2014 het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland verzocht om daartegen handhavend op te treden. Hangende die procedure heeft het college van gedeputeerde staten aan de bewoners van [locatie] ontheffing verleend voor de coniferenhaag en vervolgens het verzoek van [maat] om handhaving afgewezen.
In deze procedure is aan de orde het verzoek van de maatschap aan het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen om handhavend op te treden tegen het gebruik van de berm omdat dit in strijd zou zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Cromstrijen 2013". Daarbij heeft de maatschap ook opgemerkt dat het gebruik van de berm de verkeersveiligheid op de kruising in het geding zou brengen. Het college heeft geweigerd op het verzoek tot handhaving in te gaan omdat volgens het college de maatschap niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.
2. De maatschap betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De Afdeling overweegt daartoe dat zij eerder in onder meer de uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2807, heeft geoordeeld dat de maatschap, althans [maat], belanghebbende is bij besluiten over de kruising. Er is in dit geval geen aanleiding om anders te oordelen.
3. Reeds gelet op het voorgaande is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige in hoger beroep is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 19 mei 2015 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen omdat het college de maatschap daarin ten onrechte niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht heeft aangemerkt. Het college dient derhalve een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de maatschap.
4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2016 in zaak nr. 15/3402;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen van 19 mei 2015, kenmerk Z.01745/UIT.01261;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 114,48 (zegge: honderdveertien euro en achtenveertig cent);
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 670,00 (zegge: zeshonderdzeventig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.