ECLI:NL:RVS:2017:2360
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toeslagpartnerstatus bij gezamenlijke inschrijving zonder zakelijke huurovereenkomst
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om het voorschot zorgtoeslag voor 2015 en 2016 op nihil te stellen, omdat de dochter van appellant als toeslagpartner werd aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat de huurovereenkomst die appellant overlegde onvoldoende duidelijkheid gaf over welk gedeelte van de woning werd gehuurd en dat daardoor de dochter terecht als toeslagpartner was aangemerkt.
In hoger beroep stelde appellant dat de huurovereenkomst, kwitanties en bankafschriften aantonen dat zij op zakelijke gronden een deel van de woning van haar dochter huurde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de huurovereenkomst niet duidelijk maakt welk gedeelte van de woning werd gehuurd en dat de kwitanties en bankafschriften niet aantonen dat sprake was van zakelijke huur, maar eerder van een gemeenschappelijke huishouding.
Daarom is het oordeel van de rechtbank dat de dochter terecht als toeslagpartner is aangemerkt, juist. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de dochter wordt terecht als toeslagpartner aangemerkt.