ECLI:NL:RVS:2017:2425
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terrasvergunning ondanks bezwaren over ruimteverdeling en beleidsregels
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 3 juni 2015 een terrasvergunning voor een horecagelegenheid aan het Anna Paulownaplein. Appellanten, eigenaar en bewoner van nabijgelegen panden, maakten bezwaar tegen deze vergunning vanwege vermeende strijd met de Algemene plaatselijke verordening (APV) en het gemeentelijke beleid, en stelden dat de vergunning onrechtmatig was verleend.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het college de vergunning in redelijkheid had kunnen verlenen, mede omdat de eerdere intrekking van een vergunning samenhing met het ontbreken van een exploitatievergunning, die inmiddels was verleend. De appellanten gingen in hoger beroep en voerden aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de vergunning nu wel toelaatbaar was, dat de oppervlakte van de terrassen te ruim was en dat de belangen van derden onvoldoende waren meegewogen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank de gronden van appellanten gemotiveerd had beoordeeld. De intrekking van de eerdere vergunning was vooral gebaseerd op het ontbreken van een exploitatievergunning, die nu wel aanwezig was. De verdeling van de terrassen was in overleg met de ondernemer tot stand gekomen en strookte met het beleid, waarbij ook rekening was gehouden met het intensief gebruik van het plein als horecaplein. De belangen van derden, zoals geluidsoverlast en ruimtelijke inpassing, waren voldoende betrokken. Ook het gebruik van parkeerplaatsen op eigen terrein werd adequaat toegelicht.
De Raad van State concludeerde dat de bezwaren van appellanten niet konden slagen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vergunningverlening en verklaart het hoger beroep ongegrond.