AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Schorsing intrekking APK-erkenning autobedrijf wegens grote impact op bedrijfsvoering
Het geschil betreft de intrekking van de erkenning van het autobedrijf van verzoeker voor het uitvoeren van APK-keuringen voor voertuigen tot 3.500 kg en de intrekking van de APK-keuringsbevoegdheid voor zes maanden. Deze besluiten zijn genomen door de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW) op 16 maart 2017.
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de intrekking te schorsen in afwachting van het hoger beroep tegen deze besluiten. De RDW benadrukt het belang van een snelle uitvoering van de sancties vanwege de ernst van de overtreding en het lik-op-stuk beleid.
De voorzieningenrechter weegt het grote nadeel voor verzoeker, die een aanzienlijk deel van zijn omzet en winst uit APK-werkzaamheden haalt en meerdere werknemers en stagiaires in dienst heeft, af tegen het belang van de RDW bij effectuering van de sancties. Gezien de complexiteit van de zaak en het naderende hoger beroep besluit de voorzieningenrechter de intrekking voorlopig te schorsen om onevenredige schade aan het bedrijf te voorkomen.
Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de intrekking van de APK-erkenning en keuringsbevoegdheid van het autobedrijf tot de uitspraak in hoger beroep.
Uitspraak
201702160/2/A2.
Datum uitspraak: 7 september 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel (hierna: de rechtbank) van 1 februari 2017 in zaak nrs. 16/2906 t/m 16/2909 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW).
Openbare zitting gehouden op 7 september 2017 om 11.00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.E.M. Polak, voorzieningenrechter
griffier: mr. A.J. Jansen
Verschenen:
[verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. A. Arslan;
RDW, vertegenwoordigd door mr. B.S. Kruize.
Het geding betreft de intrekking van de erkenning van het autobedrijf van [verzoeker] voor het uitvoeren van APK-keuringen voor de categorie voertuigen tot en met 3.500 kg voor onbepaalde tijd en de intrekking van de APK-keuringsbevoegdheid van [verzoeker] voor zes maanden bij besluiten van 16 maart 2017. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Beslissing
De voorzieningenrechter
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van de directie van de Dienst Wegverkeer van 16 maart 2017, kenmerken BZW.16.1000 en BZW.16.1001/bob2;
II. veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat de directie van de Dienst Wegverkeer aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) vergoedt.
Gronden
Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe dat de besluiten tot intrekking van de APK-erkenning en van de keuringsbevoegdheid worden geschorst tot de uitspraak op het hoger beroep.
De RDW vindt een langdurige opschorting van de sancties niet gewenst omdat het een ernstige overtreding betreft. De RDW wijst op het belang om bij een ernstige overtreding, op een adequate manier de wet- en regelgeving te kunnen handhaven op basis van lik-op-stuk beleid.
[verzoeker] voert aan dat hij ongeveer de helft van zijn omzet en winst behaalt met APK gerelateerde werkzaamheden. Ook de occasions die hij verkoopt worden vooraf door hem tegen kostprijs gekeurd. Verder heeft [verzoeker] voor de APK gerelateerde werkzaamheden een werknemer in dienst en zijn vijf stagiaires bij hem werkzaam. Volgens [verzoeker] hebben de sancties een aanzienlijke financiële impact op zijn bedrijf en de continuïteit ervan wat tot faillissement kan leiden.
Bij de beoordeling van het verzoek neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de gebeurtenissen die hebben geleid tot de opgelegde sancties hebben plaatsgevonden op 18 juli 2016. Tot nu toe zijn de sancties, met uitzondering van de periode tussen 18 augustus 2016 en 14 september 2016, niet geëffectueerd. Partijen zijn uitgenodigd voor de behandeling van het hoger beroep op de zitting van de Afdeling op 10 oktober 2017. Tegen die achtergrond bezien en mede gezien de complexiteit van de zaak zal de voorzieningenrechter nu niet vooruit lopen op het oordeel van de Afdeling in de bodemprocedure over de rechtmatigheid van de sancties en zich beperken tot een belangenafweging.
De voorzieningenrechter overweegt dat voldoende aannemelijk is dat de sancties een grote beperking van de bedrijfsvoering van het bedrijf van [verzoeker] tot gevolg hebben en dat de financiële gevolgen daarvan aanzienlijk zijn. Daar staat tegenover dat de RDW, gezien de geconstateerde overtreding en diens lik-op-stuk-beleid bij overtredingen als waarvan hier naar gesteld sprake is, belang heeft bij effectuering van de sancties. De voorzieningenrechter acht dit laatste belang in dit geval niet zo groot dat de binnen afzienbare termijn te verwachten uitspraak op het hoger beroep niet kan worden afgewacht. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het onevenredig nadelig voor [verzoeker], indien thans vooruitlopend op de behandeling van het hoger beroep en de uitspraak van de Afdeling daarop tot uitvoering van de sancties wordt overgegaan.