ECLI:NL:RVS:2017:2621
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen verlenging maatregel ophouding en vreemdelingenbewaring
De vreemdeling was op 5 augustus 2017 geconfronteerd met een verlenging van de maatregel van ophouding en werd op diezelfde datum in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde op 28 augustus 2017 de beroepen van de vreemdeling tegen deze besluiten ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht geen hoger beroep openstaat tegen de uitspraak van de rechtbank over de verlenging van de ophouding, waardoor zij zich onbevoegd verklaarde om van dat hoger beroep kennis te nemen. Ten aanzien van het andere hoger beroep oordeelde de Afdeling dat de aangevoerde gronden niet tot vernietiging van de uitspraak konden leiden en bevestigde zij de uitspraak van de rechtbank.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de gronden daarvoor onvoldoende waren. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 27 september 2017.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd voor het hoger beroep tegen verlenging ophouding, bevestigt de uitspraak over vreemdelingenbewaring en wijst het verzoek om schadevergoeding af.