ECLI:NL:RVS:2017:263
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
Op 5 juni 2015 legde de minister aan appellant een boete van €8.400 op wegens twee overtredingen van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank het besluit voor zover het de boete betrof over [persoon A], maar handhaafde het voor [persoon B].
De kern van het geschil betrof de vraag of [persoon B] arbeid verrichtte binnen de onderneming van appellant, wat een vermoeden van werkgeverschap en daarmee een overtreding van de Wml zou opleveren. Appellant stelde dat [persoon B] zijn oom was die op vakantie was en geen arbeid verrichtte.
De rechtbank oordeelde dat appellant het vermoeden niet had weerlegd vanwege tegenstrijdigheden en hiaten in de verklaringen van appellant en [persoon B]. De Raad van State bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. De boete is daarmee terecht opgelegd.
De Afdeling bestuursrechtspraak benadrukt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [persoon B] geen arbeid verrichtte en dat de verklaringen niet consistent waren. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag ten aanzien van [persoon B].