AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaarschrift bestuursdwangkosten
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde op 6 oktober 2015 spoedeisende bestuursdwang op wegens het onjuist aanbieden van huishoudelijk afval. De kosten van €126 werden op appellant verhaald in een besluit van 22 oktober 2015. Appellant diende zijn bezwaarschrift tegen dit besluit op 5 december 2015 in, nadat de termijn van zes weken op 3 december 2015 was verstreken. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening.
Appellant stelde dat hij redelijkerwijs niet in verzuim was, omdat de factuur van 27 oktober 2015 onduidelijkheid gaf over de termijn voor bezwaar. De Raad oordeelde dat de verwijzing in de factuur naar de zes weken termijn na verzending van de factuur de indruk kon wekken dat bezwaar ook na het besluit van 22 oktober mogelijk was. Omdat het bezwaarschrift binnen zes weken na de factuurdatum werd ontvangen, kon niet worden geoordeeld dat appellant in verzuim was.
De Raad vernietigde het besluit van 6 januari 2016 en bepaalde dat het college het bezwaar alsnog moet behandelen. Tevens werd het betaalde griffierecht van €46 aan appellant vergoed. De inhoudelijke gronden van het bezwaar werden niet beoordeeld. Hiermee is de procedure heropend en wordt het college verplicht tot een nieuwe beslissing.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd.
Uitspraak
201601228/1/A1.
Datum uitspraak: 1 februari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Den Haag,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 22 oktober 2015 heeft het college zijn beslissing om op 6 oktober 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 126,00, voor rekening van [appellant] komen.
Bij besluit van 6 januari 2016 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2016, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Blankenstein, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 22 oktober 2015 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift buiten de termijn is ingediend en [appellant] volgens het college in verzuim is geweest door het bezwaarschrift niet tijdig in te dienen. [appellant] kan zich hiermee niet verenigen.
Wettelijk kader
2. Ingevolge artikel 6:7 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Ingevolge artikel 6:11 blijftPro ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Beoordeling beroep
3. Vast staat dat het college op 5 december 2015 een door [appellant] ingediend bezwaarschift, gericht tegen het bij het besluit van 22 oktober 2015, heeft ontvangen. Dit besluit omvat onder meer het op [appellant] verhalen van de kosten van toepassing van spoedeisende bestuursdwang. De in artikel 6:7 vanPro de Awb voorgeschreven termijn van zes weken waarbinnen bezwaar tegen dat besluit kon worden gemaakt, eindigde op 3 december 2015, zodat het bezwaarschrift buiten die termijn is ingediend. In geschil is of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant], door het bezwaarschrift buiten de termijn in te dienen, in verzuim is geweest.
3.1. [appellant] betoogt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest door het bezwaar pas na het verstrijken van de bezwaartermijn in te dienen. Daartoe voert hij onder meer aan dat hij is afgegaan op informatie die was vermeld bij de op 27 oktober 2015 toegezonden factuur voor de betaling van de kosten voor de toegepaste bestuursdwang, waaruit kon worden afgeleid dat tot zes weken na die datum bezwaar kon worden gemaakt.
3.2. In het aan [appellant] toegezonden besluit van 22 oktober 2015 is vermeld dat uiterlijk binnen zes weken na de datum van bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift kan worden ingediend. Op 27 oktober 2015 is aan [appellant] een factuur toegezonden voor de gemaakte kosten van de toepassing van spoedeisende bestuursdwang, waarin is verwezen naar het besluit van 22 oktober 2015. Deze factuur bevat eveneens een vermelding van de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen, luidende:
"Bent u het niet eens met dit besluit? (…) Dan kunt u een bezwaarschrift indienen. Stuur dit bezwaarschrift binnen zes weken na de bekendmaking naar: (…)".
Gelet op de verwijzing in de factuur naar het besluit van 22 oktober 2015, kon bij [appellant] redelijkerwijs de indruk zijn ontstaan dat de termijn van zes weken na verzending van de factuur op 27 oktober 2015 mede zag op de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen tegen het besluit van 22 oktober 2015. Gelet hierop, en nu het college het bezwaarschrift van [appellant] binnen zes weken na de datum van verzending van de factuur heeft ontvangen, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat [appellant] in verzuim is geweest. Het college heeft het bezwaar van [appellant] daarom ten onrechte wegens te late indiening van het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.
Het betoog slaagt.
4. De Afdeling komt niet toe aan beoordeling van de gronden die [appellant] in beroep tegen het besluit van 22 oktober 2015 heeft ingebracht. Het is aan het college om de tegen het besluit door [appellant] aangevoerde gronden alsnog in bezwaar te beoordelen.
Slotoverwegingen
5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 6 januari 2016 dient wegens strijd met 6:11 van de Awb te worden vernietigd. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 6 januari 2016, kenmerk B.4.15.3252.001 / BZW0000004685;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 46,00 (zegge: zesenveertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. Van den Broek
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.