ECLI:NL:RVS:2017:2716

Raad van State

Datum uitspraak
6 oktober 2017
Publicatiedatum
9 oktober 2017
Zaaknummer
201405497/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:110 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking hoger beroep in vreemdelingenzaak

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een vreemdelingenzaak. Vervolgens trok de vreemdeling het hoger beroep in nadat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het bestreden besluit had ingetrokken en alsnog had besloten de aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document op grond van de Vreemdelingenwet 2000 te honoreren.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de intrekking van het hoger beroep plaatsvond vanwege de tegemoetkoming van het bestuursorgaan, waardoor de minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld moest worden tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het door de vreemdeling betaalde griffierecht.

De Raad van State stelde vast dat de proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep geheel toe te rekenen waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en wees de vergoeding toe. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2017.

Uitkomst: De minister van Veiligheid en Justitie is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming aan de vreemdeling.

Uitspraak

201405497/1/V1.
Datum uitspraak: 6 oktober 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoekster,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Frouws, advocaat te Zeist, heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 26 mei 2014 in zaak nr. 13/31409, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 4 augustus 2017 heeft de vreemdeling het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Ingevolge artikel 8:75a, gelezen in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, en artikel 8:110, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro die wet worden veroordeeld.
2.    De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken naar aanleiding van het besluit van de staatssecretaris van 18 juli 2017 waarbij deze het bij de rechtbank bestreden besluit heeft ingetrokken en de aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 alsnog heeft ingewilligd. Hiermee is de staatssecretaris de vreemdeling tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
3.    Het verzoek moet als kennelijk gegrond op na te melden wijze worden toegewezen. Voorts moet de staatssecretaris, thans de minister van Veiligheid en Justitie, ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het door de vreemdeling betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
II.    veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.    verstaat dat de minister van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.
w.g. Van der Wiel    w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2017
210.