Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2017:2720

Raad van State

Datum uitspraak
4 oktober 2017
Publicatiedatum
10 oktober 2017
Zaaknummer
201703248/2/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vergunningverlening omgevingsrecht

Op 4 oktober 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een mondelinge uitspraak gedaan over het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit verzoek was ingediend door een belanghebbende tegen een vergunning die door het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug was verleend.

De verzoeker stelde dat bij gegrondverklaring van zijn beroep de reeds uitgevoerde werkzaamheden alleen tegen extreem hoge kosten ongedaan kunnen worden gemaakt, en dat dit het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigde. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat deze omstandigheid niet voldoende is om een voorlopige voorziening te treffen.

De Raad van State overwoog dat het aan de vergunninghouder is om het financiële risico te dragen dat het gebruik van de vergunning in deze fase van de procedure met zich meebrengt. Bovendien was het college naar voorlopig oordeel bevoegd de vergunning te verlenen, mede gelet op de positieve adviezen van de Monumentencommissie Mooisticht en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Het verzoek om voorlopige voorziening werd derhalve afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de vergunningverlening wordt afgewezen.

Uitspraak

201703248/2/A1.
Datum uitspraak: 4 oktober 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) van [verzoeker], wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, hangende zijn beroep tegen het op 27 juli 2017 verzonden besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug en hangende de hoger beroepen van:
1.    [appellant], wonend te [woonplaats],
2.    het college,
appellanten,
tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 22 februari 2017 in zaak nrs. 17/76 en 17/78 in het geding tussen:
[verzoeker],
en
het college.
Openbare zitting gehouden op 4 oktober 2017 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter
griffier: mr. J.A.A. van Roessel
Verschenen:
Het college, vertegenwoordigd door E.T.E. Kemperman en A.V. van der Wal;
[appellant], vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn.
Beslissing
wijst het verzoek af.
Gronden
•     [verzoeker] legt aan het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ten grondslag dat bij gegrondverklaring van zijn beroep de reeds gerealiseerde werkzaamheden slechts tegen extreem hoge kosten ongedaan kunnen worden gemaakt. Deze omstandigheid, wat hier verder van zij, rechtvaardigt het treffen van een voorlopige voorziening niet. Het is aan vergunninghouder [appellant] om te beslissen of hij het financiële risico wil nemen dat gebruikmaking van de vergunning in dit stadium van de procedure voor hem meebrengt.
•     Naar voorlopig oordeel heeft het college de vergunning mogen verlenen, met name gelet op de adviezen van de Monumentencommissie Mooisticht en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
•     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
w.g. Borman              w.g. Van Roessel
voorzieningenrechter    griffier
457.