ECLI:NL:RVS:2017:2770

Raad van State

Datum uitspraak
13 oktober 2017
Publicatiedatum
13 oktober 2017
Zaaknummer
201706644/2/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • E. Helder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijziging bestemmingsplan Zuidwest Leiden

De raad van de gemeente Leiden heeft op 15 juni 2017 het bestemmingsplan 'Zuidwest' gewijzigd vastgesteld, waarin het bedrijventerrein aan de Rooseveltstraat onderdeel uitmaakt van het plangebied. Verzoeker, eigenaar van bedrijfspanden aan de Rooseveltstraat, maakt bezwaar tegen het bestemmingsplan vanwege zorgen over de menging van wonen en werken op het bedrijventerrein en de uitsluiting van de Meas-locatie uit het plangebied.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het gewijzigde plan geen nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden voor woningbouw op het bedrijventerrein bevat en dat eventuele verruimingen voor wonen in een aparte procedure zullen worden behandeld. De nieuwe aanduidingen voor sport- en leisurefuncties zijn bedoeld om bestaand gebruik ruimtelijk in te passen. Er is geen sprake van een onomkeerbare wijziging van het gebruik van de gronden.

Wat betreft de Meas-locatie, die buiten het plangebied valt, kan het bestemmingsplan de bouw van een appartementencomplex niet tegenhouden omdat daarvoor al een omgevingsvergunning is verleend. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gewijzigde bestemmingsplan Zuidwest wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

201706644/2/R3.
Datum uitspraak: 13 oktober 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoeker], wonend te Leiden,
en
de raad van de gemeente Leiden,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidwest" gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 oktober 2017, waar [verzoeker], en de raad, vertegenwoordigd door S.K. Ramdas-Bachoe, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.    Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het gebied Zuidwest in Leiden.
2.    Het bedrijventerrein aan de Rooseveltstraat maakt onderdeel uit van het plangebied.
3.    [verzoeker] is eigenaar van verschillende bedrijfspanden aan de Rooseveltstraat. Sinds geruime tijd maakt hij zich sterk voor het behoud van voldoende bedrijventerreinen in de gemeente Leiden. Het gemeentebestuur heeft volgens hem geen oog voor dit belang van ondernemers en vastgoedeigenaren op bedrijventerreinen. Hij vreest een ongewenste menging van werken met wonen en andere niet bedrijfsmatige functies op het bedrijventerrein aan de Rooseveltstraat.
Omvang van het geding
4.    Het beroep van [verzoeker] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein", het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor de Rooseveltstraat en tegen de plangrens, voor zover de zogenoemde Meas-locatie die grenst aan de Rooseveltstraat, Hoflaan en Vijf Meilaan buiten het plangebied valt.
Spoedeisendheid
Nieuwe bouwmogelijkheden
5.    De Afdeling stelt vast dat het plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Leiden Zuidwest" uit 2005 voor het bedrijventerrein aan de Rooseveltstraat geen nieuwe bouwmogelijkheden ten behoeve van woningbouw of andere functies dan bedrijvigheid bevat.
Nieuwe gebruiksmogelijkheden
6.    Wat de bestemming "Verkeer" voor de Rooseveltstraat betreft, bevat het plan ten opzichte van het voorheen geldende plan geen nieuwe gebruiksmogelijkheden.
7.    Wat de gebruiksmogelijkheden binnen de bestemming "Bedrijventerrein" betreft, stelt de voorzieningenrechter het volgende vast.
De toegestane categorieën bedrijvigheid zijn ten opzichte van het voorheen geldende plan niet veranderd. Weliswaar loopt volgens de raad een onderzoek naar de mogelijkheden van het combineren van werken met wonen voor een deel van het bedrijventerrein, maar de resultaten daarvan zijn er nog niet. Eventuele verruiming van de planologische gebruiksmogelijkheden voor wonen zullen volgens de raad in een separate ruimtelijke procedure aan de orde komen. Het voorliggende plan voorziet niet in een algemene verruiming van de gebruiksmogelijkheden ten behoeve van wonen binnen de bestemming "Bedrijventerrein". Voor zover in de plantoelichting wordt gesproken van een voornemen om woonruimtes op de verdiepingen, boven bedrijven, tijdelijk te legaliseren, heeft dat geen vertaling gekregen in de planregeling in het voorliggende plan.
Verschillende aanduidingen voor de percelen op het bedrijventerrein zijn wel nieuw ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan, zoals de aanduiding "specifieke vorm van sport - leisure". Hiermee heeft de raad bestaand gebruik, waarvoor reeds omgevingsvergunningen zijn verleend of waarvoor eerder al een planologische procedure is doorlopen en dat hij ruimtelijk aanvaardbaar acht, willen inpassen in het thans voorliggende plan. In het kader van de actualisering van het plan is de keuze gemaakt om reeds vergunde functies in de sfeer van vrijetijdsbesteding, zoals een klimhal en een sportschool, niet specifiek aan te duiden, maar onder de algemene aanduiding "specifieke vorm van sport - leisure" te brengen. Verder wordt volgens de raad in het voorliggende plan meer verstaan onder zakelijke dienstverlening dan het geval was in het voorheen geldende bestemmingsplan.
7.1.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er met de nieuwe gebruiksmogelijkheden in de bestemming "Bedrijventerrein" geen wijziging van gebruik van gronden of bouwwerken te verwachten dat tot een feitelijk onomkeerbare situatie kan leiden. Tegen een wijziging van gebruik dat na de inwerkingtreding van het plan aanvangt of wordt voortgezet en daarmee in overeenstemming is, kan, indien de Afdeling het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in de bodemprocedure vernietigt, immers handhavend worden opgetreden indien het gebruik niet in overeenstemming is met het planologische regime dat na deze vernietiging geldt voor het bedrijventerrein aan de Rooseveltstraat. De inwerkingtreding van het bestemmingsplan leidt in zoverre niet tot een juridisch onomkeerbare situatie.
Meas-locatie
8.    Voor zover [verzoeker] met zijn verzoek aan de voorzieningenrechter beoogt de bouw van een appartementencomplex op de zogenoemde Meas-locatie tegen te gaan, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Deze locatie vormt een zogeheten ‘witte vlek’ en behoort niet tot het plangebied. Gelet daarop kan een schorsing van het bestemmingsplan de bouw van het appartementencomplex niet tegengaan. Voor deze ruimtelijke ontwikkeling is een omgevingsvergunning verleend. De bouw van het appartementencomplex kan gelet daarop alleen worden tegengehouden door schorsing of vernietiging van het besluit tot verlening van die omgevingsvergunning. Die omgevingsvergunning ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor.
9.    Gelet op het voorgaande heeft [verzoeker] geen spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
Conclusie
10.    De voorzieningenrechter zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening daarom afwijzen.
Proceskosten
11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra-Immink, griffier.
w.g. Helder    w.g. Zweistra-Immink
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2017
813.