Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2017:282

Raad van State

Datum uitspraak
3 februari 2017
Publicatiedatum
3 februari 2017
Zaaknummer
201609289/2/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 131 WvWArt. 130 WvWArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs wegens alcoholmisbruik

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) verklaarde het rijbewijs van verzoeker ongeldig per 17 augustus 2016 na een onderzoek naar zijn geschiktheid op basis van een politiebericht. De psychiater stelde in het rapport een diagnose van alcoholmisbruik in ruime zin vast. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het CBR werd afgewezen. Vervolgens stelde de rechtbank het beroep van verzoeker ongegrond.

Verzoeker stelde hoger beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de besluiten van het CBR te schorsen. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 19 januari 2017. Uit het onderzoek en het rapport bleek dat verzoeker alcoholmisbruik vertoonde, onderbouwd door verklaringen van verzoeker zelf en laboratoriumwaarden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het CBR terecht het rapport als grondslag gebruikte en dat het verzoek om schorsing niet kon worden toegewezen. Tevens werd overwogen dat verzoeker in mei opnieuw een geschiktheidsonderzoek kan aanvragen en bij een positieve verklaring een nieuw rijbewijs kan aanvragen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het ongeldig verklaren van het rijbewijs wegens alcoholmisbruik wordt afgewezen.

Uitspraak

201609289/2/A1.
Datum uitspraak: 3 februari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 1 december 2016 in zaak nrs. 16/5054 en 16/4951 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (lees: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 10 augustus 2016 heeft het CBR het rijbewijs van [verzoeker] met ingang van 17 augustus 2016 ongeldig verklaard.
Bij besluit van 3 oktober 2016 heeft het CBR het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 december 2016 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 januari 2017, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. J.J. van 't Hoff, advocaat te Tilburg, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt tot het schorsen van de besluiten van 10 augustus 2016 en 3 oktober 2016.
3. Naar aanleiding van een mededeling van de politie van Amsterdam heeft het CBR [verzoeker] onderworpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, van de WvW.
In dat artikel is bepaald dat indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen besluit tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid. Dit onderzoek heeft op 21 mei 2016 plaatsgevonden. De psychiater, M. Riebandt, die het onderzoek heeft uitgevoerd, heeft in het verslag van bevindingen (hierna: het rapport) de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld. Naar aanleiding van deze conclusie heeft het CBR het in bezwaar gehandhaafde besluit van 10 augustus 2016 genomen.
4. In het rapport is vermeld dat op basis van alle relevante gegevens, onder andere de verhoogde tolerantie, aannemelijke onderrapportage en de laboratoriumafwijkingen, de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld kan worden.
5. Naar voorlopig oordeel betoogt [verzoeker] tevergeefs dat het CBR het rapport niet aan de besluiten van 10 augustus 2016 en 3 oktober 2016 ten grondslag heeft mogen leggen.
Hierbij is ten eerste van belang dat [verzoeker] heeft verklaard dat hij pas het effect van de alcohol voelde na vier alcoholeenheden.
Ten tweede is van belang dat [verzoeker] tegenover de politie heeft verklaard dat hij alcoholverslaafd is. Dat [verzoeker] dit zou hebben gezegd omdat anders zou worden aangenomen dat de bij hem aangetroffen drugs niet voor eigen gebruik waren bestemd, is naar voorlopig oordeel geen overtuigende verklaring.
Ten derde is van belang dat de geconstateerde bloedwaarden, ook als de oorzaak ervan niet vaststaat, passen in een beeld van overmatig alcoholgebruik.
Tenslotte neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het CBR ter zitting heeft verklaard dat [verzoeker] in mei opnieuw een onderzoek naar zijn geschiktheid kan laten uitvoeren en, indien hem een verklaring van geschiktheid wordt toegekend, vervolgens een aanvraag kan indienen voor een nieuw rijbewijs.
6. Gelet hierop wordt het verzoek afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.
w.g. Borman w.g. Van Leeuwen
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2017
543.