ECLI:NL:RVS:2017:2888
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.D.M. van Diepenbeek
- B.P.M. van Ravels
- E.A. Minderhoud
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016
De raad van de gemeente Leiden stelde op 11 oktober 2016 het bestemmingsplan "Oostvlietpolder 2016" vast, dat een geactualiseerde regeling is voor een deel van de Oostvlietpolder. Appellant, eigenaar van twee aaneengesloten woningen, wilde de achterste woning slopen en elders op het perceel een vrijstaande woning bouwen, wat het bestemmingsplan niet toestaat. Hij stelde beroep in tegen het plan om zijn bouwvoornemen mogelijk te maken.
De Afdeling bestuursrechtspraak beoordeelde of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Appellant voerde aan dat de raad onjuiste feiten hanteerde, dat eerder beleid medewerking aan zijn bouwvoornemen toonde en dat het plan onterecht in strijd zou zijn met het gemeentelijk Toetsingskader.
De Afdeling stelde vast dat de raad een juiste voorstelling van zaken had over het bouwvoornemen, dat eerdere procedures geen vastgesteld bestemmingsplan voor een nieuwe woning tussen de betreffende locaties opleverden, en dat het college van burgemeester en wethouders in 2011 slechts voorwaardelijke medewerking had toegezegd. De raad had in 2013 het Toetsingskader vastgesteld waarin het bouwvoornemen niet paste vanwege het belang van openheid en beleving van het weidevogelgebied.
De Afdeling oordeelde dat het beleid om geen nieuwe bebouwing nabij het weidevogelgebied toe te staan niet onredelijk is en dat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd om van dit beleid af te wijken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016 wordt ongegrond verklaard.