AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan recreatiewoning
De raad van de gemeente Bergen stelde op 29 september 2016 het bestemmingsplan '3e Herziening Schoorl, kernen en buurtschappen' vast, waarin onder meer een perceel met de bestemming 'Recreatie' en de aanduiding 'recreatiewoning' is opgenomen. Verzoeker, wonende te Schoorl, betoogde dat de recreatiewoning illegaal was opgericht en dat het gebruik ervan niet eerder was toegestaan, en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 24 januari 2017. Belanghebbende verklaarde ter zitting geen omgevingsvergunning voor bouwen te zullen aanvragen of vergunningsvrije bouwwerken te zullen oprichten voordat in de bodemprocedure uitspraak is gedaan. Hierdoor waren geen onomkeerbare gevolgen te verwachten.
Gelet op het ontbreken van een spoedeisend belang wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd aangenomen dat indien belanghebbende toch een vergunningaanvraag indient, de raad verzoeker hiervan zal informeren zodat een nieuw verzoek kan worden ingediend. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.
Uitspraak
201608788/2/R1.
Datum uitspraak: 7 februari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te Schoorl, gemeente Bergen,
en
de raad van de gemeente Bergen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "3e Herziening Schoorl, kernen en buurtschappen" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 januari 2017, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Hink en S.J.H. Bek, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord [belanghebbende], bijgestaan door mr. L.T. van Eijck van Heslinga.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. [verzoeker] richt zich tegen de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "recreatiewoning" ter plaatse van het perceel [locatie] van [belanghebbende]. Hij betoogt dat de aanwezige recreatiewoning ten onrechte als zodanig is bestemd. Hiertoe voert hij aan dat de recreatiewoning illegaal is opgericht en dat het gebruik van de woning niet eerder is toegestaan.
3. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. [belanghebbende] heeft ter zitting verklaard geen omgevingsvergunning voor bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te zullen aanvragen alvorens de Afdeling in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan en evenmin tot die uitspraak vergunningsvrije bouwwerken te zullen oprichten. Onder deze omstandigheden en nu ook anderszins niet is gebleken dat met de inwerkingtreding van het plan onomkeerbare gevolgen zullen ontstaan voordat de Afdeling uitspraak zal hebben gedaan in de hoofdzaak, is met het verzoek geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van de verzochte voorziening kan rechtvaardigen.
5. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat indien, ondanks de genoemde verklaring, [belanghebbende] een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen indient voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, de raad [verzoeker] hiervan op de hoogte zal stellen, zodat zij zo nodig een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening kan indienen.
6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.