Art. 8:81 AwbArt. 35 lid 35.2 bestemmingsplan Rhoon Dorp
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijzigingsplan De Hooghe Heerlyckheid
Het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard stelde op 18 april 2017 het wijzigingsplan 'De Hooghe Heerlyckheid' vast, dat voorziet in de herontwikkeling van de Rabobankstrip met 31 luxe appartementen en bijbehorende parkeervoorzieningen.
Verzoekster, wonende circa 120 meter van het plangebied, stelde dat het plan onvoldoende parkeergelegenheid biedt en vreesde een toename van parkeerproblemen bij haar woning. Zij stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het wijzigingsplan hetzelfde mogelijk maakt als de op 30 mei 2017 verleende en onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bouw van appartementen en winkels. Omdat de vergunning al rechtsgeldig is, ontbrak een spoedeisend belang voor het verzoek om schorsing.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening tegen het wijzigingsplan werd afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.
Uitspraak
201704399/4/R3.
Datum uitspraak: 30 oktober 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoekster], wonend te Rhoon, gemeente Albrandswaard,
en
het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2017 heeft het college het wijzigingsplan "De Hooghe Heerlyckheid" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] beroep ingesteld.
[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 oktober 2017, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Visser en C.A. de Klerk-Verbeek zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Het plangebied is gelegen in het centrum van Rhoon en wordt omsloten door de Rijsdijk, de Dorpsdijk, de Sibeliusstraat en (gedeeltelijk) de Tsjaikovskistraat en staat ook wel bekend als de Rabobankstrip. Het wijzigingsplan voorziet in een herontwikkeling van de Rabobankstrip. Het totale bouwvolume telt 31 luxe appartementen, alsmede een parkeervoorziening van deze appartementen.
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 35, lid 35.2, van het bestemmingsplan "Rhoon Dorp", dat is vastgesteld op 14 juli 2014.
3. [verzoekster] woont op een afstand van circa 120 m van het plangebied en betoogt dat het plan niet voorziet in de aanleg van voldoende parkeerplaatsen. Zij vreest dat inwerkingtreding van het wijzigingsplan ter plaatse van haar woning leidt tot een toename van de reeds bestaande parkeerproblematiek.
4. Op 30 mei 2017 heeft het college voor de desbetreffende gronden een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 31 appartementen, winkelruimten, bijbehorende parkeerplaatsen en een nieuwe kopgevel met tuinmuur. Niet in geschil is dat het voorliggende wijzigingsplan in zoverre hetzelfde mogelijk maakt als de verleende omgevingsvergunning.
Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat de verleende vergunning inmiddels onherroepelijk is.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een spoedeisend belang ontbreekt. [verzoekster] is in zoverre niet gebaat bij een schorsing, nu de op 30 mei 2017 verleende omgevingsvergunning realisering van de ontwikkeling op de Rabobankstrip reeds mogelijk maakt en de ontwikkelaar van deze vergunning, daargelaten het oordeel van de voorzieningenrechter in het voorliggende verzoek, gebruik mag maken.
6. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, griffier.