ECLI:NL:RVS:2017:2960
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek medeverlening Nederlanderschap minderjarig kind wegens niet-tijdige indiening
Appellante verzocht om naturalisatie van zichzelf en haar minderjarige kinderen, waaronder een verzoek tot medeverlening van het Nederlanderschap aan haar kind A. Dit verzoek werd niet tijdig ingediend bij het oorspronkelijke naturalisatieverzoek, waardoor de staatssecretaris het bezwaar tegen de kennelijke weigering van medeverlening aan kind A niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank oordeelde dat het verzoek aangevuld mocht worden en verklaarde het bezwaar gegrond.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat het verzoek om medeverlening voor kind A bij het oorspronkelijke verzoek had moeten worden ingediend en dat dit niet mogelijk is achteraf aan te vullen. De Afdeling onderschreef dit standpunt en oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, maar vernietigde het vonnis van de rechtbank omdat deze een nieuwe beslissing op bezwaar had bevolen.
Appellante voerde incidenteel hoger beroep met het argument dat de wettelijke eis strijdig zou zijn met het Verdrag tot beperking der staatloosheid. De Afdeling verwierp dit betoog en stelde dat het verdrag niet vereist dat verzoeken om medeverlening gelijktijdig worden ingediend of dat de eis van rechtmatig verblijf niet mag worden gesteld.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, het incidenteel hoger beroep ongegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het een nieuwe beslissing op bezwaar bepaalde, verklaarde het bezwaar ongegrond en bevestigde de rest van de uitspraak. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de medeverlening van het Nederlanderschap aan het minderjarige kind is ongegrond verklaard en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond.