ECLI:NL:RVS:2017:2976
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake ongewenstverklaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 19 december 2014 het verzoek van een vreemdeling om opheffing of vervallenverklaring van zijn ongewenstverklaring afgewezen. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank Den Haag het besluit en hief de ongewenstverklaring op. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie. De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek alleen beoogde dat de staatssecretaris in afwachting van het hoger beroep de ongewenstverklaring mocht betrekken bij de beoordeling van een nieuwe aanvraag om toelating en verblijf. Omdat de staatssecretaris ook zonder de ongewenstverklaring aspecten van openbare orde en nationale veiligheid kon betrekken en de vreemdeling toestemming had gegeven om de besluitvorming aan te houden, was er geen spoedeisend belang.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af als kennelijk ongegrond. Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde, ter hoogte van €495.
De uitspraak werd op 2 november 2017 in het openbaar gedaan door voorzieningenrechter G. van der Wiel, in aanwezigheid van griffier E.L.N. Bakker.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.