ECLI:NL:RVS:2017:3092

Raad van State

Datum uitspraak
15 november 2017
Publicatiedatum
15 november 2017
Zaaknummer
201700679/1/R3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69a AwbArt. 38a Monumentenwet 1988Art. 9.1 Erfgoedwet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen bestemmingsplan Haarlemmerstraatweg wegens gebrek aan belang

De raad van de gemeente Oegstgeest stelde op 24 november 2016 het bestemmingsplan Haarlemmerstraatweg en het exploitatieplan vast, gericht op het actualiseren van het juridisch-planologisch kader voor het bedrijventerrein langs de A44. De appellant, eigenaar van een bedrijfsperceel binnen het plangebied, maakte bezwaar tegen het ontbreken van een vergunningstelsel ter bescherming van archeologische waarden op haar perceel.

De raad verweerde zich met een beroep op artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat een beroepsgrond moet strekken tot bescherming van het belang van degene die zich daarop beroept. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het betoog van appellant neerkomt op het behartigen van een algemeen belang, namelijk het behoud van archeologische waarden, en dat artikel 38a van de Monumentenwet 1988 dit algemene belang beschermt, maar niet het persoonlijke belang van appellant.

Daarmee ontbrak het appellant aan een persoonlijk belang om het beroep te ondersteunen. De Afdeling zag daarom geen grond om het besluit te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees de Afdeling een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan Haarlemmerstraatweg wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een persoonlijk belang.

Uitspraak

201700679/1/R3.
Datum uitspraak: 15 november 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te Oegstgeest,
en
de raad van de gemeente Oegstgeest,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Haarlemmerstraatweg" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] en de raad hebben nader stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.R. Plug, advocaat te Delft, en de raad, vertegenwoordigd door P.J. Vos en mr. K.V.L. Troost, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    De raad wil met de vaststelling van het plan een actueel juridisch-planologisch kader bieden voor het bedrijventerrein dat langs de A44, aan de noordkant van Oegstgeest, is gelegen. Het plangebied staat grotendeels bekend als het MEOB-terrein, omdat hierop vroeger het Marine Elektronisch Optisch Bedrijf was gevestigd.
2.    [appellante] is eigenaar van een bedrijfsperceel van ongeveer 4 ha in het noordoosten van het plangebied. [appellante] verhuurt haar gronden aan verschillende bedrijven die hoofdzakelijk bedrijfsactiviteiten in de transportsector verrichten. Zo is op haar perceel onder meer een garage, een wasstraat, een rijschool, een douanebedrijf en een self-storage aanwezig.
3.    [appellante] is het er niet mee eens dat het bestemmingsplan ter bescherming van de archeologische waarden geen vergunningstelsel meer bevat voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden op haar bedrijfsperceel.
3.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan [appellante] moet worden tegengeworpen.
3.2.    Artikel 8:69a van de Awb luidt:
"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. "
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.
3.3.    Bij de vaststelling van het bestemmingsplan diende de raad artikel 38a van de Monumentenwet 1988, dat gelet op artikel 9.1 van de Erfgoedwet ten tijde van de vaststelling van het plan van toepassing was, in acht te nemen.
Artikel 38a van de Monumentenwet 1988 luidt:
"De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan (…) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten."
3.4.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] aldus dat zij in deze procedure, als eigenaar van het bedrijfsperceel, in feite wenst op te komen voor het algemene belang van het behoud van archeologische waarden. De enkele omstandigheid dat [appellante] eigenaar is van dit bedrijfsperceel betekent echter nog niet dat zij om die reden toch een beroep kan doen op het algemene belang van archeologische waarden, zoals uit artikel 38a van de Monumentenwet 1988 voortvloeit (vgl. de uitspraak van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2742). Naar het oordeel van de Afdeling strekt artikel 38a van de Monumentenwet 1988 in dit geval kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellante] en kan haar betoog niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat de Afdeling afziet van een inhoudelijke bespreking daarvan.
4.    Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Zweistra-Immink, griffier.
w.g. Daalder    w.g. Zweistra-Immink
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017
813.