ECLI:NL:RVS:2017:3167

Raad van State

Datum uitspraak
15 november 2017
Publicatiedatum
16 november 2017
Zaaknummer
201708673/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen aanzegging onmiddellijke terugkeer naar Griekenland

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 12 september 2017 de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk. De rechtbank Den Haag bevestigde dit bij uitspraak van 26 oktober 2017. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om niet te hoeven gehoorzamen aan de aanzegging om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven, gelet op eerdere jurisprudentie, toewijsbaar was. Dit betekent dat de vreemdeling gedurende de behandeling van het hoger beroep niet hoeft te vertrekken.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €495,00, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand. De uitspraak werd op 15 november 2017 openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter J.J. van Eck.

Uitkomst: De vreemdeling hoeft niet onmiddellijk naar Griekenland te vertrekken totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

201708673/2/V3.
Datum uitspraak: 15 november 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 oktober 2017 in zaak nr. NL17.8668 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 oktober 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij gedurende de behandeling van het door hem ingestelde hoger beroep geen gehoor hoeft te geven aan de aanzegging van de staatssecretaris om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, komt het verzoek, in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3350, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling geen gehoor hoeft te geven aan de aanzegging van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven, totdat op het hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Van Meurs-Heuvel
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017
466-839.