ECLI:NL:RVS:2017:3168
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onbevoegdheid rechtbank bij civielrechtelijke sommatie tot vertrek vreemdeling
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam sommeerde de vreemdeling bij brief van 17 mei 2017 om uiterlijk 24 mei 2017 te vertrekken uit Daalburgh. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze sommatie, dat door het college niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overweegt ambtshalve dat de brief van 17 mei 2017 een louter civielrechtelijke sommatie is en geen rechtens relevante bestuursrechtelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hierdoor was de rechtbank niet bevoegd kennis te nemen van het beroep. De rechtbank had dit niet onderkend.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. De inhoudelijke gronden van het hoger beroep behoeven geen bespreking. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Deze uitspraak benadrukt het onderscheid tussen civielrechtelijke en bestuursrechtelijke handelingen in het vreemdelingenrecht en de juiste bevoegdheidsverdeling tussen rechtbank en bestuursrechter.
Uitkomst: De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de civielrechtelijke sommatie tot vertrek.