ECLI:NL:RVS:2017:3168

Raad van State

Datum uitspraak
15 november 2017
Publicatiedatum
16 november 2017
Zaaknummer
201706825/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:114 AwbArt. 72 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling onbevoegdheid rechtbank bij civielrechtelijke sommatie tot vertrek vreemdeling

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam sommeerde de vreemdeling bij brief van 17 mei 2017 om uiterlijk 24 mei 2017 te vertrekken uit Daalburgh. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze sommatie, dat door het college niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overweegt ambtshalve dat de brief van 17 mei 2017 een louter civielrechtelijke sommatie is en geen rechtens relevante bestuursrechtelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hierdoor was de rechtbank niet bevoegd kennis te nemen van het beroep. De rechtbank had dit niet onderkend.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. De inhoudelijke gronden van het hoger beroep behoeven geen bespreking. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Deze uitspraak benadrukt het onderscheid tussen civielrechtelijke en bestuursrechtelijke handelingen in het vreemdelingenrecht en de juiste bevoegdheidsverdeling tussen rechtbank en bestuursrechter.

Uitkomst: De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de civielrechtelijke sommatie tot vertrek.

Uitspraak

201706825/1/V1.
Datum uitspraak: 15 november 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 juli 2017 in zaak nr. 17/12571 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam.
Procesverloop
Bij brief van 17 mei 2017 heeft het college de vreemdeling gesommeerd Daalburgh uiterlijk op 24 mei 2017 te verlaten.
Bij besluit van 22 juni 2017 heeft het college het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.    Aan de brief van 17 mei 2017 is een brief van het college van 16 mei 2017 voorafgegaan. Deze brief is onderwerp van het geding dat heeft geleid tot de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2017:3062, inzake een rechtens relevante handeling van het college in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).
Ambtshalve
2.    De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.
2.1.    Anders dan de brief van het college van 16 mei 2017 bevat de brief van 17 mei 2017 louter een sommatie Daalburgh te verlaten. De brief van 17 mei 2017 houdt geen rechtens relevante handeling van het college in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 in, nu deze een uitsluitend civielrechtelijk karakter heeft. Dit brengt mee dat de rechtbank niet bevoegd was van het door de vreemdeling ingestelde beroep kennis te nemen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Conclusie
3.    Het hoger beroep is, gelet op hetgeen onder 2.1 is overwogen, kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren van het door de vreemdeling ingestelde beroep kennis te nemen.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de griffier van de Afdeling de vreemdeling heeft bericht vooralsnog af te zien van het heffen van griffierecht in hoger beroep, bestaat geen grond om met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb te bepalen dat de griffier aan de vreemdeling dat griffierecht vergoedt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 juli 2017 in zaak nr. 17/12571;
III.    verklaart de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het in die zaak ingestelde beroep.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.
w.g. Van der Wiel    w.g. Groeneweg
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017
32.