ECLI:NL:RVS:2017:3185

Raad van State

Datum uitspraak
22 november 2017
Publicatiedatum
22 november 2017
Zaaknummer
201704944/2/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2b RemigratiewetArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening remigratievoorzieningen na afwijzing aanvraag Remigratiewet

De zaak betreft een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening door [verzoeker] tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor voorzieningen krachtens de Remigratiewet door de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank. De aanvraag was reeds op 29 juli 2014 afgewezen en het bezwaar daarop op 12 juni 2017 ongegrond verklaard.

[Verzoeker] stelde dat hij in aanmerking kwam voor de voorzieningen omdat hij acht jaren in Nederland had verbleven en dat zijn kinderen reeds waren ingeschreven op een school in Turkije, waardoor spoed geboden was om hun opleiding daar voort te zetten. De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om voorlopige voorziening om remigratievoorzieningen te verstrekken hangende het hoger beroep bezwaarlijke gevolgen zou hebben en het karakter van voorlopigheid zou missen.

Daarnaast betrof de kern van het geschil de uitleg van artikel 2b, aanhef en onder h, van de Remigratiewet, een rechtsvraag die niet geschikt is voor beantwoording in een voorlopige voorzieningprocedure. Daarom werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor remigratievoorzieningen wordt afgewezen.

Uitspraak

201704944/2/V6.
Datum uitspraak: 22 november 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2014 heeft de raad van bestuur een aanvraag van [verzoeker] om voorzieningen krachtens de Remigratiewet (hierna: de aanvraag) afgewezen.
Bij besluit van 12 juni 2017 heeft de raad van bestuur het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 november 2017, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. R. Küçükünal, advocaat te Schiedam, en de raad van bestuur, vertegenwoordigd door mr. K. Verbeek, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening de door [verzoeker] gevraagde remigratievoorzieningen worden verstrekt. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij zijn kinderen reeds heeft ingeschreven op een school in Turkije en wenst dat zij spoedig hun opleiding in Turkije kunnen vervolgen. Hij stelt zich verder op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde voorzieningen omdat hij voorafgaande aan de aanvraag reeds acht jaren in Nederland heeft verbleven en mede daardoor voldoet aan de voor verstrekking van de remigratievoorzieningen gestelde eisen.
1.1.    Voor zover [verzoeker] met zijn verzoek beoogt dat aan hem hangende het hoger beroep remigratievoorzieningen worden verstrekt met gebruikmaking waarvan zijn kinderen in Turkije naar school zouden kunnen gaan, zou de gevraagde voorziening bezwaarlijk te redresseren gevolgen hebben en het karakter van voorlopigheid ontberen. Voor zover [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat hij voldoet aan de voor verstrekking van de remigratievoorzieningen gestelde eisen, heeft dit standpunt betrekking op de uitleg van artikel 2b, aanhef en onder h, van de Remigratiewet. Deze rechtsvraag leent zich niet voor beantwoording in een voorlopige voorzieningprocedure.
2.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Groenendijk
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017
164.