ECLI:NL:RVS:2017:3185
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening remigratievoorzieningen na afwijzing aanvraag Remigratiewet
De zaak betreft een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening door [verzoeker] tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor voorzieningen krachtens de Remigratiewet door de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank. De aanvraag was reeds op 29 juli 2014 afgewezen en het bezwaar daarop op 12 juni 2017 ongegrond verklaard.
[Verzoeker] stelde dat hij in aanmerking kwam voor de voorzieningen omdat hij acht jaren in Nederland had verbleven en dat zijn kinderen reeds waren ingeschreven op een school in Turkije, waardoor spoed geboden was om hun opleiding daar voort te zetten. De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om voorlopige voorziening om remigratievoorzieningen te verstrekken hangende het hoger beroep bezwaarlijke gevolgen zou hebben en het karakter van voorlopigheid zou missen.
Daarnaast betrof de kern van het geschil de uitleg van artikel 2b, aanhef en onder h, van de Remigratiewet, een rechtsvraag die niet geschikt is voor beantwoording in een voorlopige voorzieningprocedure. Daarom werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor remigratievoorzieningen wordt afgewezen.