ECLI:NL:RVS:2017:3299

Raad van State

Datum uitspraak
4 december 2017
Publicatiedatum
5 december 2017
Zaaknummer
201607346/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • H. Troostwijk
  • A.B.M. Hent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdeling hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens politieke oppositie in Gambia

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 26 augustus 2016 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De vreemdeling stelde dat hij als politiek opposant in Gambia in negatieve belangstelling stond vanwege zijn deelname aan demonstraties, interviews en lidmaatschap van een oppositiebeweging. Hij verwees naar internationale rapporten die intimidatie en vervolging van politieke tegenstanders in Gambia bevestigen. De staatssecretaris erkende de activiteiten van de vreemdeling en de algemene situatie, maar motiveerde onvoldoende waarom de vreemdeling niet in negatieve belangstelling zou staan.

De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris zijn standpunt onvoldoende had gemotiveerd en verklaarde het hoger beroep gegrond. Vervolgens onderzocht de Afdeling of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven. De staatssecretaris motiveerde in hoger beroep dat de politieke situatie in Gambia was veranderd en dat de vreemdeling geen reëel risico meer liep. De vreemdeling betwistte dit niet en gaf aan bij een andere regering terug te willen keren.

Daarom bepaalde de Raad van State dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege gewijzigde politieke situatie.

Uitspraak

201607346/1/V2.
Datum uitspraak: 4 december 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 september 2016 in zaak nr. 16/19371 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 september 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M. Westerhuis, advocaat te Drachten, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In de grieven klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als politiek opposant in de negatieve belangstelling van de Gambiaanse autoriteiten is komen te staan wegens zijn deelname aan een demonstratie tegen die autoriteiten bij het Internationaal Strafhof, een interview dat hij toen heeft gegeven waarvan een video is geplaatst op een website die bekend staat als kritisch over de regering en zijn lidmaatschap van de National Resistent Movement Gambia. Volgens hem heeft hij dit wel gedaan.
1.1.    De vreemdeling heeft verwezen naar de rapporten 'Operational Guidance Note Gambia' van het UK Home Office van juni 2013 en januari 2014, het rapport 'Freedom in the World 2014 - The Gambia' van Freedom House van januari 2014 en het rapport van de US Department of State 'Country Report on Human Rights Practices 2013 - The Gambia' van februari 2014. In deze stukken staat dat in Gambia personen die beschouwd worden als politiek opposant van de regering worden geïntimideerd, lastiggevallen, willekeurig gearresteerd, vastgehouden zonder eerlijk proces, gemarteld en in sommige gevallen slachtoffer zijn geworden van gedwongen verdwijningen en buitengerechtelijke executies. Politiek opposanten worden zowel in het binnen- als in het buitenland bedreigd en gemonitord door de Gambiaanse autoriteiten. Verder staat daarin dat de autoriteiten hebben aangekondigd dat iedere Gambiaan die in het buitenland woont en via de krant en radio Gambia in een kwaad daglicht stelt, bij terugkeer wordt vervolgd.
1.2.    Nu uit de stukken kan worden afgeleid dat de Gambiaanse autoriteiten alle politiek opposanten van wie informatie op het internet is te vinden in de gaten houden, heeft de vreemdeling aan de op hem rustende bewijslast voldaan en lag het vervolgens op de weg van de staatssecretaris om te onderbouwen dat de vreemdeling desondanks niet in de negatieve belangstelling van die autoriteiten staat. De staatssecretaris heeft voornoemde activiteiten van de vreemdeling geloofwaardig geacht, de algemene informatie uit de overgelegde stukken voor waar aangenomen, maar geen standpunt geformuleerd over de vraag wat die informatie voor de vreemdeling betekent. Gelet hierop heeft hij zijn standpunt dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Gambiaanse autoriteiten van zijn activiteiten op de hoogte zijn geraakt en hij aldus in de negatieve belangstelling van die autoriteiten is komen te staan en daardoor bij terugkeer een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM niet deugdelijk gemotiveerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:262). De grieven slagen.
2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
3.    De Afdeling ziet aanleiding uit een oogpunt van finale geschilbeslechting te bezien of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.
3.1.    De staatssecretaris heeft in hoger beroep alsnog deugdelijk gemotiveerd waarom de vreemdeling bij terugkeer naar Gambia geen reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Hij heeft in dit kader terecht betrokken dat in Gambia inmiddels verkiezingen hebben plaatsgevonden en dat de regering waarvoor de vreemdeling stelde te vrezen, niet meer aan de macht is. De vreemdeling heeft dit niet bestreden. De vreemdeling heeft verder zelf verklaard dat hij, als er ooit een andere regering komt, gewoon terug wil naar Gambia. Gelet op dit in hoger beroep ingenomen standpunt van de staatssecretaris ziet de Afdeling aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
4.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 september 2016 in zaak nr. 16/19371;
III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van 26 augustus 2016, V-nummer […];
V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Van Loon
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2017
284-832.