ECLI:NL:RVS:2017:3314
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek buiten beschouwing laten inkomensbestanddeel bij kindgebonden budget
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing door de Belastingdienst/Toeslagen om een inkomensbestanddeel buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van het kindgebonden budget over 2013. De Belastingdienst had het voorschot op het kindgebonden budget in eerste instantie vastgesteld op basis van een geschat inkomen, maar later herzien naar nihil vanwege een hoger vastgesteld verzamelinkomen, inclusief een nabetaling van het UWV over 2008-2013.
De rechtbank had geoordeeld dat de Belastingdienst terecht was uitgegaan van het verzamelinkomen zoals vastgesteld in de aanslag inkomstenbelasting, en dat er geen mogelijkheid bestaat om bepaalde inkomensbestanddelen buiten beschouwing te laten bij het kindgebonden budget. Appellant stelde dat de nabetaling het gevolg was van onjuist handelen door het UWV en dat het inkomen over de gehele periode opnieuw berekend moest worden, met verwijzing naar vermeende partijdigheid van de rechtbank.
De Raad van State overwoog dat de Belastingdienst bij de bepaling van het toetsingsinkomen gehouden is het verzamelinkomen zoals vastgesteld in de aanslag inkomstenbelasting te hanteren, ook als dit niet overeenkomt met het volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 te berekenen verzamelinkomen. De procedure tegen de vaststelling van het inkomen kan leiden tot aanpassing, waarna de Belastingdienst ambtshalve het kindgebonden budget herziet. De Raad van State vond geen grond om het beroep gegrond te verklaren en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het volledige verzamelinkomen, inclusief nabetaling UWV, terecht is meegeteld bij de vaststelling van het kindgebonden budget over 2013.