ECLI:NL:RVS:2017:3341
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- F.C.M.A. Michiels
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens schulden en gebruik voorliggende voorzieningen
Appellant, met geestelijke en lichamelijke beperkingen, vroeg een urgentieverklaring aan voor een laaggelegen woning vanwege zijn onvermogen om trap te lopen. Het college wees de aanvraag af op grond van drie weigeringsgronden: inwonend bij broer, beschikbaarheid van voorliggende voorzieningen (zoals beschermd wonen) en problematische schulden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en het hoger beroep werd ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat appellant geen belang had bij het hoger beroep, waardoor dit niet-ontvankelijk werd verklaard. Vervolgens werd het beroep tegen het besluit van het college behandeld.
De Afdeling stelde vast dat het college ten onrechte de weigeringsgrond dat appellant inwonend is bij zijn broer toepaste, omdat het probleem juist de bereikbaarheid van de woning betrof. Ook was onvoldoende gemotiveerd waarom beschermd wonen een passende voorliggende voorziening zou zijn, mede gezien de culturele achtergrond en communicatieproblemen van appellant.
Desondanks kon het besluit worden gedragen door de weigeringsgrond dat appellant problematische schulden heeft en geen maatregelen heeft genomen om deze beheersbaar te maken. Appellant kon dit niet weerleggen. Het beroep op de hardheidsclausule en een ruimere uitleg van artikel 4:84 Awb Pro faalde omdat deze niet van toepassing zijn op de Huisvestingsverordening.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit ongegrond verklaard.